KNB reageert op voorstel aanpassing Wwft

Op 20 mei 2015 werd de vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen. Op 5 juli werd het voorstel voor de implementatie van deze richtlijn ter consultatie aangeboden, waardoor de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verder wordt aangescherpt. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) laat in een reactie (pdf) weten dat de regels in de wet niet  strenger moeten zijn dan in de richtlijn. Ook vraagt de beroepsorganisatie om een overgangstermijn.

Het implementatievoorstel bevat verdergaande verplichtingen op het gebied van het cliëntenonderzoek. Ook wordt een nieuw boetestelsel geïntroduceerd. De richtlijn verplicht verder tot het instellen van een UBO-register. Omdat het opzetten van een dergelijk register ook een niet onbelangrijke ICT-component met zich brengt en de implementatie zal plaatsvinden in de Handelsregisterwet zullen de artikelen hierover in een afzonderlijk wetsvoorstel worden ondergebracht. Dat wetsvoorstel zal op een later moment ter consultatie worden aangeboden.

Uitwerking begrippen UBO en PEP
De KNB verzoekt geen regels in de wet op te nemen die strenger zijn dan de richtlijn. Verder wordt om een overgangstermijn gevraagd zodat de praktijk aan de nieuwe regels kan wennen.
De KNB vindt ook dat belangrijke definities zoals die van UBO en PEP in de wet moeten worden opgenomen. Deze worden in het implementatievoorstel gedelegeerd naar algemene maatregelen van bestuur. Voor zover opname in de wet niet mogelijk is, verzoekt de KNB zogenoemde voorhangprocedures te volgen zodat parlementair debat hierover mogelijk is.

Vaststelling identiteit UBO
Op grond van de richtlijn heeft iedere entiteit verplicht een UBO. De identiteit van deze UBO moet bekend zijn bij de dienstverlenende notaris. De KNB onderschrijft het belang om de identiteit van de UBO vast te stellen, maar niet het belang om de identiteit van de UBO te verifiëren aan de hand van een identificatiedocument zoals in de implementatiewet wordt voorgesteld. De UBO is geen partij bij de transacties die de entiteiten verrichten en zal in het algemeen ook niet persoonlijk bij de uitvoering zijn betrokken. Met de UBO zal in veel gevallen, met name bij internationale transacties, ook geen persoonlijk contact mogelijk zijn. Het verifiëren van de identiteit van de UBO aan de hand van een identificatiedocument zal daardoor voor de praktijk in veel gevallen vrijwel onuitvoerbaar zijn. Omdat de richtlijn hiertoe niet verplicht, is er geen aanleiding om deze verplichting in de wet op te nemen.

Voorstel tot verdere aanscherping
Op 5 juli lanceerde de Europese Commissie een voorstel tot herziening van de vierde anti-witwasrichtlijn. Uit het bijbehorende persbericht blijkt dat de aanpak van belastingontduiking een belangrijke aanleiding voor deze herziening vormt. De Europese Commissie heeft de lidstaten bovendien opgeroepen de datum voor de effectieve omzetting van de richtlijn in nationale wetgeving naar eind 2016 te vervroegen. De formele implementatietermijn eindigt op 26 juni 2017.

Verder in het nieuws

Juridische Poort over toekomst notariaat

De maatschappij verandert en de digitalisering is niet meer te stoppen. Hoe beïnvloedt dit het werk en de positie van de notaris? En wat betekenen deze ontwikkelingen voor de competenties van de notar...

Nader onderzoek ondermijning Amsterdam nodig

De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) pleit voor nader onderzoek naar ondermijning in Amsterdam en betrokkenheid van notarissen hierbij. De beroepsorganisatie reageert hiermee op de verken...

Onderscheid ongehuwd en gescheiden blijft

Het onderscheid tussen ‘ongehuwd’ en ‘gescheiden’ blijft bestaan. Dat antwoordt Sander Dekker, minister voor Rechtsbescherming op Kamervragen van Vera Bergkamp (D66). Het onderscheid voorkomt onduidel...