Bij iedere overbrenging naar de algemene bewaarplaats van protocollen of gedeelten daarvan op grond van artikel 58 van de wet zondert de notaris de akten betreffende uiterste willen en zo mogelijk de daarop betrekking hebbende kaartsystemen af van de overige bestanddelen van het protocol. De notaris voegt daarbij een door hem gewaarmerkte kopie of uittreksel van het repertorium of een andere door hem gewaarmerkte staat, waarin de gegevens uit het repertorium van de desbetreffende akten zijn vermeld.
Toelichting
In artikel 59, eerste lid, van de Wet op het notarisambt is voor de overbrenging naar rijksarchiefbewaarplaatsen van akten betreffende uiterste willen die in een algemene bewaarplaats berusten een andere termijn bepaald dan voor de andere tot het protocol van de notaris behorende notariële archiefbescheiden. Deze moeten pas als zij ouder zijn dan honderd jaar in plaats van vijfenzeventig jaar naar de rijksarchiefbewaarplaats worden overgebracht.
Omdat het van belang is dat in een vroegtijdig stadium de testamenten van de overige akten worden afgezonderd, is in artikel 2, eerste volzin, bepaald dat de notaris de testamenten en de daarop betrekking hebbende kaartsystemen moet scheiden van de andere akten bij de overbrenging naar de algemene bewaarplaats na dertig respectievelijk twintig jaar op grond van artikel 58. Tevens is de notaris verplicht om bij de overbrenging een door hem gewaarmerkte kopie of uittreksel van het repertorium of een andere door hem gewaarmerkte staat, waarin de gegevens uit het repertorium van de desbetreffende testamenten zijn vermeld, te voegen (artikel 2, tweede volzin). Dit is nodig in verband met de latere overbrenging van de protocollen naar de rijksarchiefbewaarplaats op grond van artikel 59, eerste lid, van de wet.
(Toelichting van 14 september 1999)