Van 'oude potjes' die creatief voorbijgaan

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Kamer voor het notariaat Amsterdam 27 maart 2015

Begin januari 2013 doet notaris C, collega/maat van N, een incidentenmelding bij het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Aanleiding was het rapport van een financieel onderzoek dat op initiatief van C is opgesteld door een derde. Uit het rapport blijkt onder andere van boekingen van substantiële geldbedragen van de kwaliteitsrekening van het notariskantoor naar de creditcard van de boekhouder (B) en naar N in privé, en naar rekeningen in Spanje ten behoeve van de aankoop van een privéwoning van B. In een gesprek in december 2012 erkent B direct en volmondig dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer het onttrekken van derdengelden voor privédoeleinden.
De derdengelden behoorden toe aan klanten van het notariskantoor en de Belastingdienst (overdrachtsbelasting die in meerdere gevallen wel van de klant is ontvangen, maar niet aan de Belastingdienst is afgedragen). Het dienstverband met B eindigt op diezelfde dag.
Ook N erkent de geconstateerde onregelmatigheden, onder meer het aannemen van contante gelden zonder die in de boekhouding te verantwoorden en het zich toe-eigenen van gelden van derden, waaronder die uit oude boedels. N defungeert op eigen verzoek eind februari 2013 als notaris.
BFT stelt in het rapport van november 2013 onder meer vast dat van tientallen langlopende dossiers saldi van in totaal meer dan 400.000 euro zijn overgeboekt naar de privérekeningen van N en B (ieder steeds voor een ongeveer gelijk bedrag) door middel van tussenrekeningen (zoals kruisposten, overdrachtsbelasting en Kadasterkosten) om de aard van overboekingen te doen versluieren.

Het verweer

Op het notariskantoor had B, in dienst sinds de jaren tachtig, een bijzondere positie: hij was feitelijk de baas over de financiële huishouding. Op het notariskantoor was sprake van een aantal zogenaamde oude potjes, ontstaan ten gevolge van onder meer niet-uitgekeerde rentevergoedingen op derdengelden en niet-uitgekeerde overdrachtsbelasting.
Volgens N was het kantoor rechthebbende op die potjes. Notaris O, voorganger van C, heeft N op enig moment daarover ingelicht. N heeft hem daar toen verder niet over bevraagd, omdat O ‘de financiële maat’ was van kantoor en N hem als ‘van nature voorzichtig’ kende. Toen O wegens ziekte eind 2007 moest defungeren, heeft C hem opgevolgd. O schrijft bij zijn afscheid aan B: ‘Toch wil ik aan het eind van mijn notariële loopbaan jou niet ontevreden achterlaten, nu we al die jaren goed en (soms) met plezier hebben samengewerkt. Daarom stel ik voor, dat jij mijn aandeel ter zake van de “oude potjes”, genoegzaam bekend, overneemt; hoe die gelden tot uitkering komen, laat ik in principe over aan jouw creativiteit (en die is groot).’
Na een opmerking van de accountant aan B, dat de oude dossiers moesten worden afgewikkeld, heeft B vanaf 2007 geheel zelfstandig de oude dossiers ‘afgewikkeld’ door de betreffende bedragen in een verzameldossier te boeken. Vervolgens is B gelden gaan uitboeken aan hem en aan N. Tot aan de ontvangst van het BFTrapport heeft N niet geweten wat de bron van de door hem ontvangen gelden was, maar is hij er steeds van uitgegaan dat het uit de ‘oude potjes’ kwam waarover oud-notarissen hem hadden verteld. Nadat N in december 2012 duidelijk werd dat het geld uit de ‘oude potjes’ was aangevuld door B met geld dat hij uit diverse dossiers bij elkaar had geschraapt in het kader van een opruiming, heeft hij per omgaande alles wat hij had ontvangen geretourneerd, juist in het belang van mogelijke derden.

Het oordeel

Ook al is niet aangetoond dat N opzettelijk schade aan cliënten (of crediteuren) heeft willen toebrengen, vaststaat dat N en B gelden hebben ontvangen die niet aan hen, maar aan derden toekwamen. Daarbij komt het de kamer vreemd voor dat N zich presenteert als slachtoffer van de malversaties van B, maar geen strafrechtelijke aangifte tegen B heeft gedaan casu quo erin heeft toegestemd dit achterwege te laten. N heeft het vertrouwen in het notariaat in ernstige mate geschaad.

De notariskamer ontzet de (oud-)notaris uit zijn ambt.

Opmerking

Volgens de Beleidsregel integere beroepsuitoefening (10 juli 2013) kan de oud-notaris gedurende tien jaar ook niet meer als kandidaat-notaris werkzaam zijn.