Na 2013 is de medische verklaring vaker een 'must'

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Hof Amsterdam 13 januari 2014

N krijgt begin 2012 van een bank het verzoek om een testament op te stellen voor erflater E, de vader van klaagster K. E wenst zijn dochter K te onterven en een kleinkind van haar zus een legaat toe te kennen. Twee weken later stuurt N het testament in concept aan de bank en aan erflater. Vervolgens bespreekt N op zijn kantoor het concepttestament met E. Drie dagen later bespreekt N het testament nogmaals met E opgezocht in de zorginstelling waar hij verbleef. In juni 2012 passeert N het testament. E overlijdt zes dagen later op tachtigjarige leeftijd.

De klacht

N heeft bij het opstellen en passeren van het testament van E onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij het vaststellen van de wilsbekwaamheid van erflater. De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht ongegrond.

Het verweer

E was goed in staat zijn wil te bepalen en weloverwogen keuzen te maken. E was weliswaar af en toe wat verstrooid, maar als het over financiële en familierechtelijke zaken ging, was hij juist zeer geïnteresseerd, helder, duidelijk en beslist. E was heel uitgesproken en consistent in zijn wens om K te onterven en heeft zijn beweegredenen daarvoor toegelicht.
N heeft tevergeefs drie huisartsenpraktijken benaderd om een medische verklaring omtrent de geestelijke vermogens van E te verkrijgen. N twijfelde niet aan de wilsbekwaamheid van de erflater, maar wenste een medische verklaring met het oog op toekomstige vragen daarover van K. N hield daar, gelet op het aanzienlijke vermogen van erflater, rekening mee. E was bereid aan een medisch onderzoek mee te werken.
N heeft het Stappenplan gevolgd, met de conclusie dat E voldoende wilsbekwaam was. Omdat E aandrong op het passeren van het testament is N daartoe overgegaan, evenwel niet eerder dan nadat hij een psychiatrisch rapport van 2011 had ontvangen.

Het oordeel

N wist dat E leed aan de ziekte van Alzheimer en dat hij (om die reden) in een woonzorginstelling voor demente(rende) ouderen verbleef. Daarnaast heeft N verklaard dat erflater in de gesprekken (af en toe) afwezig en verstrooid was. Onder deze omstandigheden had N advies moeten inwinnen bij een onafhankelijke deskundige. Met het rapport van het in 2011 verrichte onderzoek kon N niet volstaan. Dat rapport was voor een ander, veel minder verstrekkend, doel opgemaakt en was ten tijde van het passeren van het testament al een halfjaar oud.
Dat de benaderde artsen niet bereid waren een oordeel te geven over de wilsbekwaamheid van erflater, had waarschijnlijk door een rechtstreeks verzoek daartoe van E zelf kunnen worden opgelost. Het voorgaande brengt met zich mee dat de klacht gegrond is.
Door de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat (EPN) en de Vereniging van Indicerende en Adviserende Artsen (VIA) is een Protocol Wilsbekwaamheid ontwikkeld, dat in april 2013 is samengevoegd met het Stappenplan. De bij de VIA aangesloten onafhankelijke artsen kunnen de wilsbekwaamheid van een cliënt van de notaris onderzoeken en beoordelen. Sinds het voorjaar van 2013 is het voor een notaris dus veel gemakkelijker een arts bereid te vinden een medische verklaring omtrent wilsbekwaamheid af te geven, dan in de periode dat N het testament van E opstelde en passeerde.
Omdat N zich wel degelijk heeft ingespannen om de nodige zorgvuldigheid bij de beoordeling van de geestesgesteldheid van erflater te betrachten, legt het hof geen maatregel op.

Het hof legt geen maatregel op.

Opmerking

Sinds 2013 is het veel eenvoudiger om een verklaring omtrent wilsbekwaamheid te krijgen en zal het ontbreken van een dergelijke verklaring de notaris mogelijk sneller verweten worden.