Praktijkaanwijzing derdengelden notariaat per 1 juli 2023 van kracht

/
Publicatiedatum: 2 februari 2023

Opslaan

Deel deze informatie

Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad heeft de KNB samen met het Bureau Financieel Toezicht (BFT) een 'Praktijkaanwijzing derdengelden notariaat' opgesteld. Die zorgt voor een verruiming van rechthebbenden op de derdengeldenrekening en heeft gevolgen voor de berekening van de bewaringspositie.

In het arrest van de Hoge Raad van 19 november 2021 is de prejudiciële vraag behandeld of het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is op een aandeel in het saldo van de derdengeldenrekening. Deze vraag is door de Hoge Raad bevestigend beantwoord. Naast het Kadaster wordt ook de Kamer van Koophandel (KVK) op grond van de Praktijkaanwijzing voor een specifiek aantal kosten aangemerkt als rechthebbende op de derdengeldenrekening.

Ingangsdatum
De Praktijkaanwijzing treedt per 1 juli in werking. Uiterlijk op die datum dient de administratie van notariskantoren in lijn te zijn met het bepaalde in de Praktijkaanwijzing. Het naleven van de Praktijkaanwijzing leidt ertoe dat notariskantoren overeenkomstig vermelde uitspraak handelen en zorgen voor een voldoende bewaarpositie ten gunste van het Kadaster en de KVK.

Gevolgen voor ieder notariskantoor
Op grond van de Praktijkaanwijzing dienen de inschrijvingskosten van een akte bij het Kadaster bij de berekening van de bewaringspositie meegenomen te worden. Deze kosten worden dus aangemerkt als schuld. In de bij de Praktijkaanwijzing behorende veelgestelde vragen is een voorbeeldberekening opgenomen. Verder wordt het aanbevolen om het Kadaster en de KVK uiterlijk vanaf 1 juli te betalen vanaf de derdengeldenrekening.

Wel of geen buffer aanhouden?
Of notariskantoren – naast de hierboven genoemde punten - ook de in de Praktijkaanwijzing opgenomen minimale financiële buffer dienen aan te houden op hun derdengeldenrekening, hangt onder andere af van de vraag of zij wel of geen toereikend bewaringsoverschot op hun derdengeldenrekening aanhouden.

Veel notarissen houden al een zeker bewaringsoverschot aan op hun derdengeldenrekening. Het gaat hierbij om de meerderheid van alle notarissen. Deze notarissen hoeven naast dit toereikende bewaringsoverschot niet ook nog eens de extra buffer uit hoofde van de Praktijkaanwijzing aan te houden op hun derdengeldenrekening. Het aanhouden van de buffer is evenmin verplicht indien de recherchekosten van het Kadaster en de inzage- en bevragingskosten van het Handelsregister van de KVK reeds worden meegenomen in de berekening van de bewaringspositie.

Heeft een notaris geen toereikend bewaringsoverschot op zijn derdengeldenrekening of neemt hij de recherchekosten van het Kadaster en de inzage- en bevragingskosten van het Handelsregister niet mee in de berekening van de bewaringspositie? Dan moet hij vanaf 1 juli te allen tijde een minimale financiële buffer aanhouden op zijn derdengeldenrekening.

Buffer
De minimale financiële buffer omvat de recherchekosten van het Kadaster en de inzage- en bevragingskosten van het Handelsregister van de KVK. Notarissen dienen de minimale hoogte van de aan te houden buffer 1 keer per jaar te berekenen op basis van de gegevens van het voorafgaande boekjaar. De Praktijkaanwijzing voorziet hiertoe in een praktische regeling en in de veelgestelde vragen staat ook een voorbeeldberekening. De veelgestelde vragen voorzien ook in een aantal vragen ten behoeve van administrateurs en accountants.

Meer informatie: KNB, Praktijkzaken, pz@knb.nl, 070 3307111