Eerlijk alles delen?
Met het aanpakken van de ongelijke breukdelengemeenschap wil de overheid opmerkelijke belastingconstructies vermijden. De maatregel is ingegaan op 1 januari 2026. Verstandig?
Mirjam Wesselink
Lid Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en adviseur bij Meijburg & Co
Het is absoluut goed dat fiscaal misbruik wordt bestreden. Maar de onderbouwing van deze maatregel is te kort door de bocht. De civiele wetgeving heeft mogelijk gemaakt dat echtgenoten een bepaalde mate van vrijheid hebben om in huwelijkse voorwaarden onderling afspraken te maken over hun vermogen en de onderlinge verzorging, onder meer via de ongelijke breukdelengemeenschap. Het is bekend dat huwelijkse voorwaarden zo kunnen worden ingericht dat erfbelasting wordt bespaard. Maar het gaat te ver om te zeggen dat elke ongelijke breukdelengemeenschap altijd alleen puur fiscaal gedreven is.
'Ik verwacht dat de adviespraktijk op zoek gaat naar alternatieven'
Onder de huidige wettekst kun je als langstlevende met het meeste vermogen geconfronteerd worden met heffing over je eigen vermogen. Dit is disproportioneel. In de ongelijke breukdelengemeenschap wordt een misbruikgedachte verondersteld, die wat mij betreft niet altijd terecht is. Blijkbaar gaat de wetgever ervan uit dat alle huwelijkse voorwaarden met een ongelijke breukdelengemeenschap fiscaal gedreven zijn. Ik heb er moeite mee dat die misbruikgedachte zo nadrukkelijk aanwezig wordt geacht. Het komt vaak voor dat de familiesituatie of de wens om familie- of ondernemingsvermogen privé te houden redenen zijn om huwelijkse voorwaarden en testament op een bepaalde wijze in te richten. Dat heeft niks met de fiscaliteit te maken.
De maatregel is in januari in werking getreden, maar de impact wordt pas zichtbaar op het moment dat de eerste gemeenschappen met een ongelijk breukdeel worden ontbonden. Ik verwacht dat de adviespraktijk op zoek gaat naar alternatieven. Er zullen oplossingen gezocht worden om cliënten te behoeden voor ongewenste heffingen. En in situaties waarin heffing door een ongelijke breukdelengemeenschap aan de orde is, sluit ik niet uit dat procedures zullen volgen. Dan kun je je zelfs afvragen of deze maatregel op Europees niveau gaat standhouden.'
Martijn Maas
Notaris bij Heuvelrug Notarissen en tot juni 2025 voorzitter van de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat
Ik ben het ermee eens, maar wel met voorbehouden. Prima dat de breukdelengemeenschap wordt aangepakt om fiscale constructies te vermijden en te voorkomen dat mensen zomaar naar bijvoorbeeld een 90-10-verdeling kunnen springen, maar er is zoveel meer dan dat. Meestal gaat het over heel andere situaties. Dan is het niet fiscaal gedreven, maar zijn er civielrechtelijke of sociaal-emotionele redenen. Bijvoorbeeld bij samengestelde gezinnen of ongelijk vermogen. Voor deze situaties zou een ongelijke breukdelengemeenschap mogelijk moeten blijven.
Het doel om fiscale constructies aan te pakken is goed, maar dit is te rigoureus. Voor situaties waarin partners elkaar willen compenseren of gemeenschappelijk eigendom hebben – maar niet ieder voor de helft –, zou de breukdelengemeenschap nog steeds soelaas moeten kunnen bieden.
De overheid moet de signalen van organisaties en praktijkjuristen omarmen en inpassen. Wij zien allemaal meteen dat dit problemen, onduidelijkheid en dus onzekerheid gaat geven.
Op sommige onderdelen moeten in de wetgeving uitzonderingen gemaakt worden. Bijvoorbeeld als je met een ‘harde’ privéclausule vermogen hebt gekregen. Dan moet je in de huwelijkse voorwaarden ruimte kunnen houden om binnen de huwelijksgoederengemeenschap te ‘compenseren’. Of misschien wel het bekendste voorbeeld: mensen met een ongelijke inbreng in een huis. Vóór het huwelijk is er bijvoorbeeld een 70-30-verhouding. Het is logisch, denk ik, dat die verhouding zo blijft totdat mensen daar samen iets anders van vinden. Huwelijkse voorwaarden zijn echter direct al nodig om te voorkomen dat de woning 50-50 gemeenschappelijk wordt. Maar de keuze voor een ongelijke breukdelengemeenschap vanwege het gewenste behoud van de ongelijke eigendomsverhouding, leidt dan wel tot schenk- of erfbelasting. Er zijn dus nog wel een paar weeffouten die we samen moeten repareren.'
Bernard Schols
Oud-notaris en hoogleraar successierecht aan de Radboud Universiteit
'Fiscaal bekeken ben ik het eens met de stelling. Door de uitspraak van de Hoge Raad van 16 februari 2024 was er een grote, verkapte vrijstelling ontstaan. Voor de belastingplichtige gaf dat enorme mogelijkheden. Het was relatief makkelijk om op deze wijze de erfbelasting te ontgaan. Dat was een spectaculaire kwestie: de mogelijkheid om op je sterfbed van 50 naar 90 te gaan, als een soort verkapte vrijstelling. Van die vrijstelling via de huwelijkse voorwaarden zou ongetwijfeld veel gebruik gemaakt zijn. Dat moest nog wel doordringen in het land, maar als het zo gebleven was had het ongekende mogelijkheden geboden. Dat extreme punt was nog niet bereikt, want dingen in de notariële wereld gaan niet altijd even snel. Maar de bewustwording kwam wel op gang en de mensen van het eerste uur waren er wel degelijk al mee bezig.
Dan is het begrijpelijk dat een overheid dat gat gaat dichten. Iedereen had verwacht dat zij dit veel eerder zou doen. Nu ligt er reparatiewetgeving, zonder meer. Daarom heeft men zich niks gelegen laten liggen aan andere redenen voor een ongelijke breukdelengemeenschap, bijvoorbeeld de legitieme portie. Men heeft het er rigoureus helemaal uit willen snijden. Je ziet vaker bij de overheid dat een gaatje – vooral in de fiscale sfeer – hapsnap wordt dichtgetimmerd. Men wil dat heel snel doen. Meestal zou je dat toch iets breder moeten bekijken. Er is weliswaar een consultatie, maar je kunt de vraag stellen wat men doet met de reacties en in hoeverre het echt de bedoeling is om iedereen inspraak te geven.'