Groningse huwelijksvoorwaarden revisited

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Hof Amsterdam 25 augustus 2015

Klaagster K is eind juni 2008 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met M. K zorgde voor hun zoon en het huishouden. M was (al voor het huwelijk) directeur-grootaandeelhouder (dga) van BV X , waarin hij zijn onderneming dreef. In 2010 zijn de aandelen gecertificeerd. Begin 2011 spreekt M met notaris N over zijn voornemen om alsnog huwelijkse voorwaarden op te stellen, ter bescherming van het privévermogen tegen ondernemingsrisico’s, waarop een bespreking plaatsvindt tussen kandidaat-notaris KN, K en M, en later N.
Partijen tekenen op hun trouwdag in 2011 de akte ‘huwelijksvoorwaarden en verdeling huwelijksvermogensgemeenschap’. Partijen maken gebruik van de ‘spijtoptantenregeling’ (waarbij wordt teruggegaan naar de situatie van vóór het huwelijk). De akte bevat een koude uitsluiting met een beperkte gemeenschap van woning en een finaal verrekenbeding bij overlijden. Vanwege fiscale redenen zal een jaar na de datum van de akte van huwelijkse voorwaarden de voormalige echtelijke woning geheel aan K worden toebedeeld. De waarde van de woning was ten tijde van de verdeling lager dan de hypothecaire lening. M krijgt alle certificaten toegedeeld zonder enige verrekening of vordering wegens overbedeling. Eind 2012 wil M scheiden.

De klacht

K verwijt N en KN dat deze haar niet, althans onvoldoende, hebben geïnformeerd over de inhoud van de akte van huwelijkse voorwaarden en de gevolgen daarvan en dat zij partijdig waren. Volgens K is ten onrechte niet gesproken over het eigen vermogen van de onderneming van de man, dat – zo is K later gebleken – in 2011 ruim 1.000.000 euro bedroeg.

Het oordeel

De kamer voor het notariaat Den Haag heeft N en KN hiervoor een waarschuwing opgelegd. N en KN hebben hiertegen beroep ingesteld. Niet is gebleken dat N en KN nader onderzoek hebben gedaan naar de redenen van de huwelijkse voorwaarden en dat zij de gevolgen daarvan voor partijen en in dit geval in het bijzonder voor K afdoende in kaart hebben gebracht en deze aan partijen hebben voorgehouden.
Zij hebben zonder meer toepassing gegeven aan de ‘spijtoptantenregeling’ en daarbij kennelijk alleen of voornamelijk oog gehad voor de fiscale gevolgen van de akte huwelijkse voorwaarden. Zo zijn zij niet nagegaan welke concrete bedrijfsrisico’s M voor ogen had en in hoeverre die invloed zouden kunnen hebben op het privévermogen. Zij hebben evenmin navraag gedaan naar de waarde van de certificaten. Verder is niet gebleken dat, toen K kennelijk geen bezwaren had geuit tegen het voornemen van de man tot het niet-opnemen van een finaal verrekenbeding bij echtscheiding, daarover nog met K is doorgesproken. Dat lag, gelet op de strekking van de opdracht, te weten bescherming van privévermogen tegen bedrijfsrisico’s, wel in de rede. Des te meer nu K tijdens de besprekingen steeds aangaf ‘alles wel goed te vinden (mits de woning haar eigendom zou worden)’. Er is niet van partijdigheid gebleken. Nu het handelen van N en KN de belangen van K ernstig heeft geschaad, acht het hof de zwaardere maatregel van berisping een passende sanctie.

Het hof legt de maatregel berisping op.

Opmerking

De Belehrungspflicht is gedefinieerd in het standaardarrest Groningse huwelijksvoorwaarden van 20 januari 1989, NJ 1989, 766: de notaris moet naar vermogen voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. De toegevoegde waarde van de notaris ligt juist in deze ‘plicht’ en daarmee kan de notaris zich exclusief onderscheiden van andere adviseurs.