Notaris mag niet meewerken aan opstellen gefingeerde schuldbekentenis

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Hof Amsterdam 22 september 2015

Klager K en zijn echtgenote E hebben zich in 2002 ten behoeve van B, de broer van klager, en diens partner P verbonden als hoofdelijk schuldenaar voor een aan B en P verstrekte hypothecaire geldlening. In 2003 hebben K en E een bedrag van 15.000 euro geleend aan B en P, hoofdelijke schuldenaren, vastgelegd in een onderhandse akte van oktober 2003. Medio 2008 is de relatie tussen B en P geëindigd.
K en E hebben eind 2009 een bedrag van 30.000 euro aan de bank betaald op de hypothecaire geldlening. De woning is in september 2010 executoriaal verkocht. Bij vonnis van de rechtbank in 2012 is P veroordeeld om aan K en E het bedrag van 15.600 euro te betalen. De vordering tot veroordeling van P tot betaling van 30.000 euro is afgewezen. Klager en E hebben hiertegen hoger beroep ingesteld. In opdracht van V, vader van P, en P zelf heeft oud-notaris N in 2012 een notariële akte van schuldbekentenis gepasseerd. Hierin verklaren zij dat V van P een bedrag van ruim 53.000 euro te vorderen heeft wegens achterstallige huur en dergelijke. Bij arrest van januari 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam in de bodemzaak P ook veroordeeld om aan K en E een bedrag van 30.000 euro te betalen.

De klacht

Klager verwijt de oud-notaris dat hij door het passeren van de akte van schuldbekentenis bewust heeft meegewerkt aan het op onheuse gronden ondermijnen van de positie van klager als schuldeiser.

Het oordeel

Het hof stelt voorop dat in Nederland verleden notariële akten authentieke akten zijn waarvan de grosse executoriale kracht heeft op gelijke wijze als in Nederland gewezen vonnissen. De notaris heeft op dit punt dan ook een bijzondere bevoegdheid waarmee hij zorgvuldig dient om te gaan. In de gegeven omstandigheden had N zich niet geheel mogen verlaten op het aan hem verstrekte financiële overzicht en de verklaringen van P en haar vader om op basis daarvan een notariële akte van schuldbekentenis op te stellen. Het was gezien de executoriale kracht van de akte zijn taak om nader onderzoek te doen naar het bestaan en de aard van de in de akte vast te leggen schulden. Pas dan had hij een reële inschatting kunnen maken of de gestelde schulden aannemelijk waren en zich leenden voor opname in een notariële partijakte met executoriale kracht. Nu hij dit geheel heeft nagelaten en bovendien een verklaring in de akte heeft opgenomen die daarin niet thuishoort (over in gebruik geven van inboedel zonder vergoeding), heeft N de gevolgen van de uitoefening van zijn ‘bijzondere bevoegdheid’ veronachtzaamd en dus tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is dan ook gegrond.
Het hof acht, met de kamer, de maatregel van berisping passend en geboden. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het in deze zaak gaat om de uitoefening van een bijzondere, aan notarissen toegekende bevoegdheid en dat K daardoor financieel nadeel heeft geleden.

Het hof bevestigt de maatregel berisping van de kamer.

Opmerking

Het hof benadrukt de gelijkenis van de notariële akte, waarvan de grosse executoriale kracht heeft, en een gewezen vonnis. De notaris heeft hierin, evenals een rechter, een meer dan marginale onderzoeksplicht en moet zorgvuldig omgaan met zijn bijzondere bevoegdheid.