Notaris sluist contante gelden door als service
Erflater E overlijdt in oktober 2010, met achterlating van zijn kinderen Z en D en zijn partner K (klaagster). Vlak voor het overlijden verklaren Z en D schriftelijk dat zij akkoord gaan met verkoop van het Franse vakantiehuisje aan K voor 15.000 euro. Begin 2011 hebben Z en D een gesprek met de notaris N, waarbij K later aanschuift. N vraagt K of zij een schenking heeft ontvangen van E. K bevestigt dat zij een bedrag van 25.000 euro in contanten van E had ontvangen om het huisje te verkrijgen en te renoveren. In opdracht van N gaat K dat bedrag tijdens het gesprek thuis ophalen en overhandigt zij dit vervolgens aan N, waarna deze het geld heeft geteld en in een verzegelde envelop heeft gedaan. In 2013 wordt het huis op naam van de kinderen geregistreerd. In juni 2014 heeft Z een gesprek met de gemachtigde van K over de overdracht van het huisje. Dan pas verneemt K dat N in 2011 het bedrag van 25.000 euro direct na ontvangst aan D heeft overhandigd. De gemachtigde van K neemt contact op met N, maar deze ontkent meermalen dat hij het bedrag heeft opgeëist en ontvangen van K. Ook merkt N op dat hij contant ontvangen gelden altijd aan het ministerie moest melden omdat het ‘zwart geld’ betrof.
De klacht
K verwijt N dat hij bij herhaling in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij geen gelden van haar in ontvangst heeft genomen, dat hij geen ontvangstbevestiging aan haar heeft afgegeven, dat er met haar niet is gesproken over de vraag hoe deze gelden moesten worden aangemerkt en dat hij haar niet heeft bericht, en zelfs meermalen heeft ontkend dat deze gelden vervolgens aan D zijn overhandigd.
Het verweer
N heeft een mail van de man van D waaruit blijkt dat dit bedrag de erven heeft bereikt. De transactie is verlopen via het notariskantoor en een MOT-melding is niet gedaan. Een en ander is tussen werkzaamheden door zo gelopen als service.
Het oordeel
De kamer concludeert dat N, in strijd met de waarheid, bij herhaling een verklaring heeft afgelegd tegenover een gemachtigde van een rechtstreeks belanghebbende. Dat N bij het eerste contact met deze gemachtigde wellicht enige terughoudendheid heeft betracht, valt te begrijpen. Dat hij vervolgens echter is blijven persisteren bij zijn onware verklaring en deze pas tijdens het gesprek met de plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft herroepen, rekent de kamer hem in ernstige mate aan. Hierdoor heeft de notaris het vertrouwen geschaad dat men in het notariaat behoort te kunnen stellen.
Verder staat vast dat N aan K geen ontvangstbevestiging heeft verstrekt en dat N de dochter evenmin voor ontvangst heeft laten tekenen. Dat hij dit heeft nagelaten, acht de kamer zeer onzorgvuldig. Uit de handelwijze van N zou kunnen worden afgeleid dat hij de gelden heeft aangemerkt als boedelgelden, maar dan had het op de weg van N gelegen aan K daarover duidelijkheid te verschaffen. Verder heeft N een hoger bedrag dan het middels artikel 12 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 toegestane bedrag van 15.000 euro in contanten in ontvangst genomen. Ook op dit punt heeft de notaris tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld.
De notariskamer legt de maatregel berisping op.
Opmerking
Vertrouwen is het unique selling point van het notariaat dat dagelijks bewezen moet worden.