Notaris was te stellig over inhoud testament
In 2007 maakt N een testament op voor erflater E. Daarin staat onder B1 een legaat aan zijn zoon Z en onder B2 een legaat aan zijn dochter D. In 2011 verzoekt E per brief een wijziging van het legaat aan Z, waarbij Z in plaats van de eigendom het recht van gebruik van enkele zaken krijgt gelegateerd. In het aanvullende testament redigeert N de wijziging als: ‘Het in gemelde uiterste wilsbeschikking onder ‘LEGAAT’, onderdeel B’ bepaalde komt te vervallen en wordt vervangen door: ‘LEGAAT’; B. Ik legateer, (…)’
E overlijdt in 2013, en Z laat N weten dat volgens zijn advocaat beide legaten uit het testament van 2007 zijn vervallen. N reageert daarop dat zij geen enkele twijfel heeft over de intentie van E. De legaten aan D moesten in stand blijven ter compensatie van de schenkingen (kwijtschelding van leningen) aan Z en zijn inmiddels failliete vennootschap. Verder biedt zij excuses aan voor de onjuiste redactie, er had B1 moeten staan in plaats van B.
De klacht
Klager Z verwijt N onder meer onzorgvuldig handelen en partijdigheid en is het niet eens met de uitleg van het tweede testament en meent dat N zich van een dergelijke uitleg had dienen te onthouden.
Het verweer
Het ging E uitsluitend om de wijziging ten behoeve van Z. Verder is in deze kwestie ruimte voor uitleg van het aanvullende testament. Zij heeft een zogenoemde clerical error gemaakt en heeft overwogen de akte te rectificeren, maar dit toch niet gedaan.
Het oordeel
Óf in dit geval aan uitleg wordt toegekomen, is voorbehouden aan de civiele rechter. Z en N hebben verschillende opvattingen over de strekking van het testament en hebben zich beroepen op uitlatingen van E van tegenovergestelde strekking. Wie gelijk heeft doet niet ter zake. N had, zodra het geschil tussen Z en D bleek, partijen naar de civiele rechter moeten verwijzen en zich moeten onthouden van een inhoudelijke stellingname. Dat N dat niet heeft gedaan, acht de kamer in strijd met de houding die een notaris in een dergelijk geval moet aannemen en met de professionele zorgvuldigheid, waarbij zij de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daarbij is onvoldoende vast komen te staan of E het legaat aan D wilde behouden. Daarnaast heeft N zich daarbij bediend van argumenten in de sfeer van uitlatingen en bedoelingen van de testateur waarvan zij zich ten minste had moeten afvragen of op haar in dit geval geen geheimhoudingsplicht rust.
De kamer rekent N haar handelwijze des te ernstiger aan, omdat zij daarin is blijven volharden; pas in allerlaatste instantie ter zitting heeft N erkend dat zij beter had kunnen zwijgen.
De notariskamer legt de maatregel berisping op.
Opmerking
Hoezeer ook overtuigd van haar gelijk, N had niet in de positie moeten komen die haar als partijdig kan worden aangerekend.