Belegging derdengelden mag niet bij een Luxemburgse vermogensbeheerder
Bij de analyse van de jaarstukken 2013 van het kantoor van notaris N (tot 2013 nog in associatie met twee notarissen en tot 2014 in associatie met een andere notaris) constateert het Bureau Financieel Toezicht (BFT) dat in de berekening van de bewaringspositie een bedrag van 560.000 euro was begrepen, dat niet op een bekende kwaliteitsrekening van het kantoor werd beheerd. Het betrof het saldo van de grootboekrekening ‘Kruisposten Stichting Derdengelden’. Dit bedrag is in september 2012 van de derdengeldrekening gestort op een bankrekening van (of bij) V, een Luxemburgse ‘wealth service office’, een soort vermogensbeheerder, via de Duitse advocaat van V.
Begin 2014 tekent N een overeenkomst met V met betrekking tot genoemd bedrag. In juni 2014 bevestigt V aan N voornoemd bedrag van hem ‘in depot’ gekregen te hebben. Op 14 juli 2014 is het bedrag weer teruggestort. BFT dient een klacht in wegens onder andere een negatieve bewaringspositie en het houden van derdengelden op een niet-kwaliteitsrekening.
Het oordeel
Gebleken is dat als gevolg van de overboeking van het bedrag van 560.000 euro naar een rekening van (of bij) V sprake was van een negatieve bewaringspositie gedurende ruim anderhalf jaar.
V is geen financiële instelling die ingevolge de Wet op het financieel toezicht (Wft) in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen en voldoet dus niet aan de eisen die artikel 25 Wet op het notarisambt aan een derdenrekening stelt. N erkent dit, maar stelt dat hij er indertijd van uitging dat dat wel het geval was. Dat pas na geruime tijd, begin 2014, de ondertekening van de overeenkomst met V plaatsvond, was volgens N het gevolg van de ontbinding van de maatschap. Tot de belegging bij V is met de vroegere partners van N besloten vanwege het genereren van meer rente.
De kamer overweegt dat, door de derdengelden niet op een kwaliteitsrekening te bewaren, cliëntenbelangen en de rechtszekerheid kunnen worden geschaad, omdat cliënten de bijzondere separatistenpositie ontberen en zij niet worden beschermd in geval van bijvoorbeeld faillissement van de notaris(sen) of beslaglegging door een derde op een gewone kantoorrekening. Volgens vaste jurisprudentie mogen de gelden van een kantoorrekening voor de bepaling van het saldo van de kwaliteitsrekening (en dus de bewaringspositie) geen rol spelen, zodat het overmaken van een (te groot) bedrag van de kwaliteitsrekening naar een kantoorrekening ertoe kan leiden dat N te eniger tijd niet zal kunnen voldoen aan zijn financiële verplichtingen.
Het is een vaste lijn in de rechtspraak dat een negatieve bewaringspositie dient te leiden tot een ontzetting uit het ambt, tenzij er omstandigheden zijn die tot een afwijking van dat standpunt kunnen leiden. Bij de oplegging van de maatregel ziet de kamer aanleiding om rekening te houden met het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat N de gelden voor eigen gebruik wilde aanwenden of dat de gelden tussentijds door hem van de rekening zijn gehaald en weer teruggestort. De kamer acht, gelet ook op alle overige omstandigheden van het geval, een schorsing in de uitoefening van het ambt als notaris voor de duur van zes maanden passend en geboden.
De notariskamer legt de maatregel schorsing voor zes maanden op.
Opmerking
De notaris heeft een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van de derdengelden die hem worden toevertrouwd. Met de onrechtmatige belegging van derdengelden door N bij een Luxemburgse ‘vermogensbeheerder’ heeft N dit vertrouwen ernstig geschaad.