Hoog aktenaantal is op zich geen bewijs voor gebrek aan Belehrung

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Hof Amsterdam 26 juli 2016

Deze zaak betreft het hoger beroep van de tuchtzaak die de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) aanspande tegen kandidaat-notaris KN (ECLI:NL:TNORDHA: 2015:42), waarvan een bewerking is gepubliceerd in Notariaat Magazine, februari 2016 onder de titel: ‘Met het passeren van 10.000 akten per jaar kan er onvoldoende tijd zijn voor Belehrung’. (KN is waarnemer van het vacante protocol van een ‘prijsvechter’.)
De kamer voor het notariaat te Den Haag verklaarde de klacht wat betreft de in het gedrang komende Belehrung gegrond en legde KN daarvoor de maatregel van berisping op.
De klacht dat KN in strijd met de beleidsregel van 10 juli 2013 samenwerkte met een kandidaat-notaris (hierna: X) die als gevolg van een tuchtrechtelijke uitspraak het ambt van notaris niet mag bekleden of niet meer als toegevoegd of waarnemend notaris mag optreden, verklaarde de kamer ongegrond.
De KNB gaat tegen deze uitspraak in beroep.

Het oordeel

Het hof is van oordeel dat het feit dat KN meer dan 7.000 akten per jaar passeert niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat hij dan tekort moet schieten in zijn voorlichtingsplicht. Concrete voorbeelden dat dit het geval is geweest en dat, voor zover daarvan sprake is geweest, deze gevallen niet op zichzelf staan, ontbreken. De KNB heeft ook niet weersproken dat de gepasseerde akten hoofdzakelijk rechtshandelingen van eenvoudige aard betroffen en deels zonder afspraak konden worden gepasseerd. Deze klacht is derhalve ongegrond. Dit laat onverlet dat het passeren van een dermate hoog aantal akten onwenselijk is, omdat het KN wel moet ontbreken aan voldoende tijd voor het verrichten van de bijbehorende werkzaamheden die aan het voeren van een dergelijk notarispraktijk zijn verbonden. Het hof noemt onder meer het indienen van Kadasterstukken, het verrichten van betalingen, intern overleg en de verplichte her- en bijscholing. Wat betreft de samenwerking met X overwoog de kamer dat het niet vanzelfsprekend is, dat door de inwerkingtreding van de beleidsregel het reeds bestaande dienstverband met X op die enkele grond beëindigd had kunnen worden. Naar het oordeel van de kamer is het nalaten om het dienstverband met X te beëindigen in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer en met de gronden waarop dit oordeel berust. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gekomen die tot een ander oordeel moeten leiden.
Het hof verklaart de klacht ongegrond.

Opmerking

De KNB ziet een belangrijk risico in de wijze van uitoefening van het vak door KN, maar heeft hiervoor geen bewijzen geleverd. Het hof oordeelt dat het vermoeden van tekortschietende Belehrung onvoldoende is voor gegrondverklaring van de klacht.