Notaris heeft een grote verantwoordelijkheid in de voorkoming van witwassen
In mei 2012 veroordeelt de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam B Groep BV en S BV geldvorderingen te voldoen aan eiser E.
Notaris N passeert op 5 april 2013 de overdracht van een pand voor 2.550.000 euro en op 12 april 2013 de overdracht van 50 procent van de aandelen in S BV voor 2.750.000 euro, welke koopsommen worden voldaan door gedeeltelijke verrekening van de vorderingen van E op de verkoper. N doet op 23 april 2013 een MOT-melding wat betreft de leveringen en de betrokken partijen.
(E staat bekend als een witwasser, ‘king of the grey market’. Hij geldt voor de Israëlische justitie als iemand die gigantische hoeveelheden besmet geld in de legale economie pompt en is in Israël in 2005 veroordeeld wegens witwasserij, belastingontduiking, chantage en het intimideren van getuigen, bron: Het Parool, 22 juni 2013).
De klacht
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) vindt dat N onvoldoende invulling heeft gegeven aan het verscherpte cliëntenonderzoek en daarom niet had mogen passeren. N heeft de MOT-melding te laat gedaan (deze moet onverwijld met een maximumtermijn van veertien dagen, artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)) en de MOT-melding is onvolledig want meldt niks over de hoogte van de koopsommen. N had nader onderzoek naar de waarde van het pand moeten doen aangezien de WOZ-waarde 1.808.000 euro bedraagt. N had meer onderzoek moeten doen naar de geldleningen en had niet mogen opnemen in de akte dat er na de verrekening nog een aanzienlijk bedrag aan vorderingen open zou blijven staan. Ook was er nader onderzoek nodig naar de waarde van de aandelen. Alles mede vanwege het hoge risico op witwassen. Ook heeft N onzorgvuldig gehandeld door snel te passeren om een beslag van de Belastingdienst te voorkomen, terwijl het benodigde geld niet aanwezig was en de herkomst van de verrekende gelden onbekend was.
Het verweer
BFT is niet ontvankelijk, want het heeft vooringenomen en op disproportionele wijze opgetreden. BFT had de dialoog moeten aangaan, zodat N duidelijk kon maken dat er geen normschending was. N heeft de identiteit van partijen onderzocht, hij heeft de namen ook gegoogeld en de berichtgeving over B gaf aanleiding tot waakzaamheid. Cliënten B en E werden aangebracht door een betrouwbare relatie van N die louter bonafide cliënten en zaken had aangebracht. N kreeg de zaak doorverwezen uit hoofde van een schikking van de advocaten van B en E. De koopovereenkomsten zijn opgesteld door de advocaat van E. Er was geen aanleiding voor nader onderzoek. De te late MOTmelding is te wijten aan de wijziging van het systeem waardoor nieuwe wachtwoorden nodig waren. De hoogte van de koopsommen zijn in de schikking bepaald en de vorderingen waren ook duidelijk na de slepende procedures. Het is niet de taak van de notaris ervoor te waken dat de goederen niet worden overgedragen als een beslaglegging dreigt.
Het oordeel
BFT heeft de bevoegdheid zonder overleg een klacht in te dienen en is derhalve ontvankelijk. N was bekend met de financieel dubieuze achtergrond van partijen en had meer onderzoek moeten doen naar de deugdelijkheid van de door partijen gepretendeerde leningen. Er waren diverse feiten en omstandigheden die, in samenhang, noopten tot dieper onderzoek.
N had de onderliggende stukken bij de advocaat van E moeten opvragen, niet mogen vertrouwen op het vonnis wat betreft het bestaan van de leningen (de voorzieningenrechter gaat uit van de feiten die voorgelegd worden). Het in de akte vermelde overzicht van de geldleningen was niet aangehecht. De overschrijding van de termijn voor de MOT-melding valt N niet aan te rekenen, evenmin als het niet melden van de koopsommen, die immers volgens N niet ongebruikelijk waren. Het was zuiverder geweest als N in de akte had opgenomen dat partijen verklaren dat er nog een aanzienlijke vordering resteert en dat N deze niet is nagegaan. N had wat betreft de waardering van de aandelen een onafhankelijk deskundige moeten inschakelen en recente definitieve jaarstukken moeten verlangen, en niet mogen afgaan op de WOZ-waarden van de panden in de BV en een conceptjaarrekening van 2010. Hij mocht niet afgaan op de mededelingen van de advocaat. Wat betreft het beslag: een notaris mag versneld passeren om een beslag te voorkomen.
De kamer rekent N zijn gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef aan en legt daarvoor een berisping op, mede gezien de duur van het onderzoek van BFT en de daarmee gepaard gaande onzekerheid voor N.
BFT is op 15 november 2013 het onderzoek gestart en heeft deze op 15 mei 2015 afgesloten, waarna de klacht op 30 juni 2015 is ingediend. De kamer acht de duur van het onderzoek en het rapport (te) uitvoerig. Verder is BFT niet met N in gesprek gegaan, waardoor N niet wist waarnaar precies onderzoek werd gedaan, hetgeen grote spanningen bij N meebracht. De kamer geeft BFT mee om er attent op te zijn een evenwicht te vinden in de diepgang van het onderzoek, de communicatie met de betrokken notaris en het door BFT te bereiken doel.
De notariskamer legt de maatregel berisping op.
Opmerking
N gaf aan dat BFT de zaak in retrospectief kan bezien en dat hij het moest doen met de feiten en omstandigheden van dat moment. Desalniettemin is N te veel afgegaan op de verklaringen van de advocaten en heeft geen achterliggende stukken gevraagd. BFT krijgt ten slotte een tik op de vingers voor het te lang durende onderzoek en het gebrek aan communicatie.