Twee kapiteins op het schip van de boedelafwikkeling: notaris moet regie in de hand houden
Eind 2014 geeft notaris N een verklaring van erfrecht/executele af aan klager K, die tot executeur is benoemd. In maart 2015 verzoekt K aan N om de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater op zich te nemen in de hoedanigheid van een door de executeur aangewezen boedelnotaris, omdat er wrevel tussen de erfgenamen was ontstaan. N weigert dit, omdat hij als notaris op onpartijdige en onafhankelijke wijze het dossier wilde oppakken, daarbij gecommitteerd door alle erfgenamen. N ontvangt van alle erfgenamen boedelvolmachten.
In juni 2015 verzoekt N aan K om met onmiddellijke ingang als executeur terug te treden en hem de volledige financiële administratie ter beschikking te stellen. Na een gesprek deelt N alle erfgenamen mee dat K tijdens dat gesprek meedeelde zijn taak als executeur niet te willen neerleggen, dat K hem verwijt dat hij zijn taak als boedelnotaris niet naar behoren zou hebben vervuld en dat dit voor hem reden is om zijn taken in de afwikkeling van de nalatenschap te beëindigen.
K deelt N in november mee dat hij zich niet kan vinden in deze brief en dat het wenselijk is dat de onjuistheid van de daarin gedane mededeling wordt gecorrigeerd.
De klacht
N is tekortgeschoten en onzorgvuldig geweest door geen bericht te doen hoe hij de zaken feitelijk zou overnemen, door te weigeren zijn taak te vervullen en door in zijn brief een onjuiste voorstelling van zaken te geven ten aanzien van zijn beweerdelijke berichten / aanmaningen aan K, dat hij zijn taak als executeur zou dienen neer te leggen.
Het oordeel
Het testament geeft de executeur de bevoegdheid om bij notariële akte een executeur in zijn plaats te stellen. Indien voor die weg zou zijn gekozen, zou K op relatief eenvoudige wijze uit zijn executeurschap zijn ontheven, desgewenst na schriftelijke instemming van de overige erfgenamen. Na ontvangst van de getekende boedelvolmachten heeft N onvoldoende regie gevoerd. Hij had K in duidelijke bewoordingen moeten instrueren welke stappen deze zou moeten ondernemen om te worden ontslagen uit het executeurschap. Onder die omstandigheden past het N niet om K het verwijt te maken dat hij het executeurschap niet heeft neergelegd. De stelling van N dat K het executeurschap van begin af aan niet heeft willen neerleggen, is niet onderbouwd. K heeft zelfs expliciet te kennen gegeven dat hij zich wil ‘terugtrekken’ en dat hij met verlangen wachtte op instructies van N. De kamer kan zich voorstellen dat de verstandhouding tussen N en K na de bespreking zodanig was verstoord dat N zich genoodzaakt zag zijn taken te beëindigen. Zij kan echter niet anders oordelen dan dat N, door onvoldoende regie te voeren, ook zelf heeft bijgedragen aan de situatie die daartoe aanleiding gaf.
De notariskamer legt de maatregel waarschuwing op.
Opmerking
N heeft met de boedelvolmachten wel draagvlak van de erfgenamen verworven, maar heeft zich er niet van verzekerd dat er een kapitein op het schip zou zijn.