Nietigheid is niet hetzelfde als non-existent
Notaris N is door de Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden op 22 juli 2016 (ECLI:NL:TNORARL:2016:40, behandeld in Notariaat Magazine 2016/6) uit zijn ambt ontzet voor onder meer het ontbreken van handtekeningen op akten en het passeren van akten buiten aanwezigheid van de gemachtigde. De kamer stelde tevens vast dat N een dusdanig aantal akten buiten zijn vestigingsplaats passeerde dat sprake is van een verboden bijkantoor.
Ter zitting in hoger beroep voert N aan dat een van de leden van de kamer, bij zijn benoeming tot lid van de kamer tot en met in elk geval de datum van de uitspraak, geen inspecteur was in de zin van artikel 2 lid 3b Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), omdat hij geen ambtenaar was van een van de organisatieonderdelen bedoeld in artikel 9a Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Daardoor bezat hij niet de kwaliteit die hij volgens artikel 94 lid 6 Wet op het notarisambt (Wna) nodig had. Volgens artikel 5 lid 3 Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) brengt een dergelijke onbevoegdheid nietigheid van de beslissing mee. N verzoekt het hof de zaak terug te verwijzen naar de kamer (of een andere kamer). Het Bureau Financieel Toezicht voert met een beroep op de zaak Meavita (HR 18 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607) aan dat schending van artikel 5 Wet RO niet meebrengt dat de beslissing non-existent is. Verder kan het hof het formele gebrek in hoger beroep helen, zoals eerder in 2002 en 2007 is gedaan.
Het oordeel
Formeel: het hof stelt vast dat de beslissing van de kamer op grond van artikel 5 Wet RO nietig is. Met verwijzing naar de Meavita-zaak oordeelt het hof dat nietigheid in dit geval niet hetzelfde is als non- existent. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt voor gevallen als het onderhavige mee dat de nietigheid van de beslissing van de kamer alleen kan worden ingeroepen in het kader van een daartegen openstaand rechtsmiddel en dat is (in dit geval) hoger beroep bij dit hof. Verder heeft N ook in dit stadium de nietigheid nog kunnen inroepen zodat aan de voorwaarde van de Hoge Raad is voldaan. Het hof vernietigt daarom de beslissing. Nu het hoger beroep er ook toe strekt om onregelmatigheden in eerste aanleg te herstellen en het hof de zaak opnieuw in volle omvang behandelt, zal het hof de zaak zelf afdoen. Voor terugverwijzing van de zaak naar de kamer zijn onvoldoende gronden gesteld of gebleken.
Inhoudelijk: het hof is van oordeel dat N inzake de ontbrekende handtekeningen uiterst onzorgvuldig heeft gehandeld en daarmee afbreuk heeft gedaan aan zijn vertrouwenstaak, namelijk door zijn waarheidsgetrouwe verklaring rechtszekerheid te geven aan het rechtsverkeer.
Wat betreft het fysiek niet aanwezig zijn van medewerkers oordeelt het hof dat dit een handelswijze is die een notaris onwaardig is.
Maatregel
Het hof stelt vast dat N verregaande maatregelen heeft getroffen om de zaken te herstellen en te zorgen dat de omissies zich niet meer zullen voordoen. Het hof rekent N de verschillende normschendingen zwaar aan, maar houdt rekening met de reputatie- en inkomensschade die publicatie van de uitspraak tot gevolg heeft gehad en legt N de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie maanden op.
Het hof legt de maatregel schorsing voor drie maanden op.
Opmerking
In de Meavita-zaak was een van de rechters die de uitspraak in de ondernemingskamer deed al met pensioen toen de tekst van de uitspraak werd vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde daarom dat de zaak opnieuw moest worden behandeld door de ondernemingskamer.