Vergissing van de Belastingdienst in uw voordeel? Gegrond met oplegging van een maatregel.
In september 2005 passeert notaris N een akte en in november 2005 zes akten. N berekent dat hierover 95.877 euro aan overdrachtsbelasting verschuldigd is. Ten aanzien van de akte van september is een nul-aanslag opgelegd. In augustus 2007 voldoet de Belastingdienst een bedrag van 105.815,31 euro aan N. In januari 2009 deelt N aan de Belastingdienst mee dat dit bedrag ten onrechte naar haar is overgemaakt.
In augustus 2013 deelt N aan het Bureau Financieel Toezicht (BFT) mee dat, na overleg met een fiscalist, het van de Belastingdienst ontvangen bedrag aan het kantoor toekwam, omdat de rechtsvordering van de Belastingdienst ter zake van de overdrachtsbelasting was verjaard. Het bedrag is daadwerkelijk ten gunste van de exploitatie van het notariskantoor gebracht en toegevoegd aan de winst. In september 2014 deelt het BFT aan N mee dat een bedrag van 73.200 euro toekomt aan de cliënten van het kantoor van N. Daarop deelt N mee dat na twee besprekingen met de Belastingdienst de conclusie was dat het bedrag aanvankelijk ten onrechte onverschuldigd was betaald en dat er geen rechtsgronden bestonden om enig bedrag van N te vorderen, zodat het bedrag aan het kantoor toekomt.
N draagt in augustus 2015 alsnog in totaal een bedrag aan verschuldigde overdrachtsbelasting ad 95.877 euro af aan de Belastingdienst.
De klacht
N heeft gehandeld in strijd met artikel 25, vierde lid, Wet op het notarisambt (Wna) door niet een bedrag van 73.200 euro uit te keren aan de rechthebbenden c.q. cliënten van het kantoor, maar ten gunste van de exploitatie van het kantoor te brengen.
Het verweer
Er is geen sprake van enige teruggaaf of kwijtschelding van de overdrachtsbelasting, zodat er geen geldige titel is voor uitkering aan de cliënten. De overdrachtsbelasting is indertijd aan de Belastingdienst voldaan. De terugbetaling staat niet in een rechtens relevant verband tot de cliënten en die zijn dus geen rechthebbenden. Nu de Belastingdienst – ondanks herhaalde correspondentie en gesprekken – geen aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling, is het vorderingsrecht verjaard en komen de gelden aan N toe. Voorts is het BFT al vanaf april 2012 op de hoogte van de ontvangst van de gelden en heeft N in augustus 2013 bericht dat zij voornemens was de gelden naar haar kantoorrekening over te boeken, waarna BFT nog een jaar heeft gewacht met het verrichten van een onderzoek en pas in augustus 2016 een klacht heeft ingediend.
Het oordeel
N stelt onder meer dat de klachten zijn verjaard, nu het BFT reeds in april 2012 op de hoogte was van de ontvangst van de gelden van de Belastingdienst. Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, tenzij de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
Gebleken is dat het BFT pas in augustus 2013 meegedeeld werd dat N een bedrag van 95.887 euro toevoegde aan de winst van haar kantoor, zodat vanaf dat moment de verjaring begon te lopen.
N wist dat de gelden niet aan haarzelf, maar aan haar cliënten toebehoorden, nu het door haar ingehouden, maar uiteindelijk niet afgedragen, overdrachtsbelasting betrof. Ondanks verjaring van de rechtsvordering blijft N te allen tijde verantwoordelijk voor de correcte nakoming van de op haar rustende verplichtingen jegens haar cliënten. Nu de vordering was verjaard en zij dus niet meer aansprakelijk was, had N de gelden moeten uitkeren aan haar cliënten. De klacht ziet op een normschending, waardoor het vertrouwen van het publiek in het notariaat in ernstige mate is geschaad. Te allen tijde moet de maatschappij erop kunnen vertrouwen dat de aan een notaris toevertrouwde gelden worden uitgekeerd aan de rechthebbenden.
De (proces)houding van N toont voorts aan dat zij onvoldoende besef heeft van de hoge eisen die de maatschappij, mede in het belang van de rechtszekerheid, aan het notariaat stelt. N lijkt het verwijtbare van haar handelen niet in te zien. Dit geldt temeer nu het BFT haar voorafgaand aan de toe-eigening heeft meegedeeld dat zij daartoe niet mocht overgaan en haar heeft geïnstrueerd om de Belastingdienst in te lichten over de gelden, alsmede om over te gaan tot overmaking daarvan aan haar cliënten of desnoods de consignatiekas. Daar komt bij dat het handelen van N het gevolg is van een bewuste en weloverwogen beslissing. Voor N pleit dat zij zelf melding heeft gemaakt bij het BFT met betrekking tot de gelden, dat zij van meet af aan alle openheid van zaken heeft gegeven, dat zij getracht heeft de gelden aan de Belastingdienst te voldoen en dat zij deskundig advies heeft ingewonnen. Mede gelet op het lange tijdsverloop wordt een schorsing in de uitoefening van het ambt van notaris voor twee weken passend en geboden geacht.
De notariskamer legt de maatregel schorsing voor twee weken op.
Opmerking
Het domeinmonopolie van het notariaat betekent niet dat de notaris de bekende ‘Monopoly-kaart’ kan trekken.