Voorschotdeclaratie was niet redelijk, kandidaat-notaris moest erfgenaam informeren
Klager K is één van de tien kinderen uit een boerengezin. Vader voerde met zijn zoon B een landbouwbedrijf tot zijn overlijden in 1993. Het vermogen van de jongste zus staat onder bewind van moeder.
In de overeenkomst van maatschap van 1997 is neergelegd dat moeder en haar zoons B en D een maatschap zijn aangegaan waarin zij het landbouwbedrijf uitoefenen. In 2009 overlijdt D. Zijn moeder en zijn broers en zussen zijn de erfgenamen.
Kandidaat-notaris KN van notariskantoor Z stelt in februari 2012 een concept van de akte van verdeling maatschap op, waarbij het aandeel van D aan de overgebleven maten wordt toebedeeld. Deze wordt niet ondertekend omdat de erfgenamen hierover geen overeenstemming bereiken.
Op enig moment krijgt notaris W de opdracht om als boedelnotaris de nalatenschap van erflater af te wikkelen.
Op 8 mei 2014 passeert notaris Z een akte (voorbereid door KN) betreffende de maatschap.
Op 15 maart 2016 vraagt K aan KN of het juist is dat de erfgenamen hun maatschapsaandeel hebben overgedragen. KN antwoordt dat alleen de akte is gepasseerd waarbij moeder haar maatschapsaandeel en haar juridisch eigendom heeft overgedragen aan B.
KN geeft in een latere mail aan dat hij K niet mag informeren over de zaken die uitsluitend moeder aangaan en verwijst naar de boedelnotaris.
De boedelnotaris krijgt geen inzage in het dossier, maar wel een kopie van de akte, waaruit blijkt dat het aandeel van D door zijn overlijden is toegedeeld aan moeder en B, en dat de waarde (na vaststelling daarvan) in de nalatenschap moet worden ingebracht.
KN bericht K voorts dat het beantwoorden van zijn vragen hem veel tijd kost en dat hij daarom voorstelt dat K hem een voorschot van 1.000 euro betaalt.
K dient een klacht in bij de kamer, die op 7 oktober 2016 onder meer oordeelt: ‘Klager was rechthebbende bij de toedeling van het maatschapsaandeel van erflater aan moeder en B. Hij had mitsdien een gerechtvaardigd belang bij informatie over de wijze waarop deze toedeling buiten zijn medeweten heeft plaatsgevonden.’
De kamer legt hiervoor een waarschuwing op.
Na deze uitspraak geeft KN nog steeds geen informatie en vraagt hij K om eerst een voorschotdeclaratie van 3.500 euro te voldoen. K vraagt tevergeefs om een specificatie.
Het oordeel
Omdat het hier gaat om klachten die betrekking hebben op het (niet) handelen na de eerdere uitspraak van de kamer is het door KN gestelde ne-bis-in-idembeginsel niet van toepassing.
De klacht van K dat hij nog steeds niet de hem toekomende informatie heeft ontvangen, is gegrond.
Wat betreft de voorschotdeclaratie oordeelt de kamer dat er in het notariaat weliswaar een voorschotdeclaratie kan worden gevraagd, echter in dit geval is van de redelijkheid van deze werkwijze niet gebleken. Bovendien heeft K geen specificatie ontvangen.
De notariskamer legt de maatregel waarschuwing op.
Opmerking
De klachten betroffen vooral het onthouden van informatie en niet de vraag of KN de uitvoering van het voortzettings- en/of verblijvingsbeding zonder medewerking van de erfgenamen kon bewerkstelligen.