Hof veegt berisping van tafel: klacht op alle onderdelen ongegrond.
Mevrouw E (erflaatster), geboren in 1926, neemt in 2014 contact op met notaris N in verband met een wijziging van haar testament, waarna N haar thuis bezoekt. E wenst een deel van haar vermogen na te laten aan mevrouw X, haar hulp in de huishouding.
N zendt haar in januari 2015 een concept, waarna het testament in februari echter passeert bij een andere notaris. In dat testament benoemt E haar zoon Z tot enig erfgenaam. E neemt hierna contact op met N omdat zij zich niet kan vinden in dat testament.
N bezoekt E (met een medewerker), (na een gesprek in maart) in april 2015 opnieuw thuis en stuurt in juli 2015 een concept, waarna N dit testament in augustus passeert. In dit testament benoemt E haar zoon en Y, zoon van X, tot haar erfgenamen, ieder voor de helft. Voorts benoemt zij N tot testamentair bewindvoerder over hetgeen Z uit haar nalatenschap verkrijgt en benoemt Y tot executeur.
E overlijdt op 6 juli 2016.
De heer K (klager), een oom van Z, schrijft aan de kandidaat-notaris:
‘Mede namens andere familieleden zou ik gaarne contact met je willen hebben over verder te ondernemen stappen als blijkt, dat mevrouw X op enigerlei wijze voordeel heeft van het nieuw gemaakte testament en zolang niet duidelijk is wie toezicht houdt op het vermogen van Z. Binnen de familie zijn de zorgen hieromtrent zodanig, dat wij eventueel via de kantonrechter onder bewindstelling van het vermogen zouden willen bewerkstelligen.’ N bezoekt Z vanaf augustus 2016 een aantal malen in haar hoedanigheid van bewindvoerder.
Y deelt N in augustus 2016 mee de woning van E te willen kopen. N aanvaardt het bod mondeling in haar hoedanigheid van testamentair bewindvoerder namens Z, onder de voorwaarden dat de woning getaxeerd wordt en het bod marktconform zou zijn. De woning is op 7 oktober 2016 in dat kader getaxeerd.
De kantonrechter benoemt in oktober 2016 K (en nog een persoon) tot bewindvoerders over het vermogen van Z.
N spreekt in november 2016 met K over onder andere het bod van Y en vraagt hem in januari 2017 om in te stemmen met de overdracht van de woning aan Y, hetgeen K weigert.
N verzoekt de kantonrechter om vervangende machtiging tot het verdelen en leveren van de woning. De kantonrechter weigert dit omdat reeds overeenstemming bestond tussen N als testamentair bewindvoerder en de executeur.
De klacht
K verwijt N onder meer dat zij onvoldoende prudent heeft gehandeld bij het opstellen van het testament, dat zij overleg met K over de koopovereenkomst had moeten voeren, dat er sprake is van belangenverstrengeling nu zij de belangen van Z en Y moet behartigen, dat zij zonder voorafgaande kennisgeving aan K op huisbezoek ging bij Z en hem niet inlichtte over haar verzoek tot vervangende machtiging.
De kamer voor het notariaat Arnhem- Leeuwarden heeft de klacht gegrond verklaard en N een berisping opgelegd (ECLI:NL:TNORARL:2017:57).
Het oordeel
Het hof is van oordeel dat N genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt, dat zij in het voortraject en ten tijde van het passeren van het testament voldoende alert is geweest op mogelijke afhankelijkheid en beïnvloeding van E. Zij is niet over een nacht ijs gegaan, heeft de tijd genomen en E de tijd gegeven om een en ander te overdenken. Met E, die N al langer kende, zijn met tussenposen uitgebreide gesprekken gevoerd, steeds buiten aanwezigheid van X, zowel onder vier ogen als in aanwezigheid van een medewerker van N. E was consistent in haar wensen en maakte op N de indruk dat zij de gevolgen van haar handelen kon overzien, ook was er geen sprake van een gebrek in het geestelijke vermogen van E.
Voorts is van belang dat X ook reeds in het testament van de echtgenoot van E als executeur genoemd werd.
Het hof is wat betreft de verkoop van de woning van oordeel dat de aankondiging van de aanvraag door K tot bewind over Z voor N geen beletsel behoefde te vormen om met Y een koopovereenkomst aan te gaan. Het had overigens aanbeveling verdiend om de koopovereenkomst schriftelijk vast te leggen.
Het hof is niet gebleken dat sprake is geweest van ontoelaatbare belangenverstrengeling. Wat betreft het huisbezoek staat het N vrij om te spreken met een (mede-)erfgenaam zoals Z en om vervangende machtiging te verzoeken. Voorafgaand overleg met in dit geval K als bewindvoerder is daartoe niet vereist.
Het hof verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond.