Notaris eigent zich ruim 2,2 miljoen euro toe uit een door hem behandelde nalatenschap
Erflaatster E, woonachtig in België, overlijdt in 2007. De nalatenschap omvat onder meer een landgoed in Nederland. Familieleden en/of mogelijke erfgenamen van E wonen in Europa en Brazilië. De Braziliaanse familieleden zijn niet genoemd in het testament van E en vechten het testament aan.
Notaris N begint met zijn werkzaamheden in opdracht van de Braziliaanse familieleden. N is met deze familieleden in contact gebracht door een bekende van hem, die naast het landgoed van E woonde.
N is ook betrokken bij het opstellen van een Belgische overeenkomst van dading en ondertekent deze op 14 mei 2009 namens de Braziliaanse en Europese familieleden.
Ruim een week eerder stelt N een aantal oprichtingsakten voor stichtingen op voor het beheer van de landgoederen, waarbij N wordt benoemd tot bestuurder van de stichtingen, waaronder de stichting tot beheer van het Nederlandse landgoed (hierna: de stichting).
Op 14 mei 2009 maakt N een onderhandse ‘akte houdende uitgifte certificaten’ op. De stichting kent twee certificaten toe, één aan N en één aan de naast het landgoed wonende bekende, waardoor zij beiden voor de helft economisch gerechtigd zijn in het vermogen van de stichting. Op diezelfde dag koopt de stichting het landgoed van de erfgenaam die het landgoed had gekregen uit de nalatenschap, gefinancierd met gelden die in eerste instantie toekwamen aan alle (onterfde) familieleden.
De onterfde familieleden trekken zich op enig moment terug uit de nalatenschap en laten hun aandeel tegen kwijting uitbetalen.
N verkoopt het landgoed in delen en keert de opbrengsten steeds uit aan de andere certificaathouder en zichzelf. In totaal keert N (in ieder geval) 2.263.290 euro aan zichzelf uit.
De klacht
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) stelt dat N in ieder geval in schijn heeft gehandeld in strijd met de notariële onafhankelijkheid en onpartijdigheid vanwege (I) zijn onduidelijke en verschuivende rol en (II) belangenverstrengeling.
Het verweer
Het BFT verzuimt onderscheid te maken tussen de diverse stadia van zijn betrokkenheid. Eerst treedt N slechts zijdelings op als partijnotaris van de onterfde Braziliaanse familie en later namens alle onterfde familieleden. Na ondertekening van de overeenkomst van dading is N nog slechts onpartijdig notaris voor de familie.
Zijn benoeming als bestuurder zag primair op het zekerstellen van de belangen van de mogelijke participanten. Al snel was echter duidelijk dat alleen de Braziliaanse familieleden van de vaderlijke tak zouden blijven financieren. De moederlijke tak zou afhaken. Het was zondermeer helder dat hij de certificaten voor de achterliggende familieleden hield. Daarom is daar geen schriftelijke documentatie van.
Dat het anders is gelopen, is een gevolg van het feit dat de familie uiteindelijk niet participeerde en zich liet uitbetalen. De Braziliaanse familieleden hebben vervolgens de lening aan de stichting kwijtgescholden. Die schenking leidde er vervolgens toe dat N een ongewenst en onbedoeld zakelijk belang kreeg in het landgoed, echter toen was hij niet meer als notaris bij de afwikkeling betrokken.
Het oordeel
Er is niet gebleken dat het voor de Braziliaanse familieleden niet helder is geweest dat N ook namens andere onterfde familieleden optrad en dat N naast zijn rol als partijnotaris, ook bestuurder en certificaathouder was. Dit deel van de klacht is ongegrond.
De stichting is opgericht in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap en de benoeming van N als bestuurder kwam voort uit zijn functie als notaris. Doordat N certificaathouder werd, heeft hij zichzelf in de positie gebracht dat hij in privé een economisch belang kreeg in de nalatenschap waarbij hij als notaris betrokken was. Er kon geen sprake meer zijn van dienstverlening zonder eigen belang. Hierdoor konden zijn cliënten benadeeld worden. De stelling van N dat hij op het moment van de schenking niet meer als notaris was betrokken, gaat niet op aangezien N het economisch belang voor zichzelf in privé creëerde toen hij als notaris nog wel bij de afwikkeling van de nalatenschap was betrokken.
Ter zitting heeft N geen blijk gegeven de klachtwaardigheid van zijn handelen te zien. Zijn handelen toont aan dat N onvoldoende besef heeft van de hoge eisen die de maatschappij aan het notariaat stelt. Daarom acht de kamer het niet langer verantwoord dat N zijn ambt voortzet.
De notariskamer legt de maatregel ontzetting uit het ambt op.
Opmerking
Het is onbegrijpelijk dat N meent door de samenloop van omstandigheden gerechtigde te zijn geworden van een groot vermogen uit een nalatenschap die hij (mede) behandelde.