Notaris maakt en passeert zonder opdracht een testament voor een 97-jarige alzheimerpatiënt
In 2010 maakt tante een testament, waarbij zij aan haar broer haar statenbijbel legateert en aan haar neef klager K al haar sieraden, haar roerende goederen en haar woning (dan wel de verkoopopbrengst daarvan). Zij benoemt haar erfgenamen volgens de wet tot haar enige erfgenamen en benoemt K tot executeur.
Op 30 mei 2016 heeft tante, dan 97 jaar, na het overlijden van haar broer, een bespreking met notaris N over onder meer de wijziging van het legaat van de statenbijbel. Tijdens die bespreking passeert N een akte waarbij tante de statenbijbel aan K legateert (de rest blijft ongewijzigd). K is bij de bespreking en het passeren van de akte aanwezig.
Op 9 juni 2016 bezoekt N op eigen initiatief en onaangekondigd tante in haar (aanleun)woning, waarbij hij met haar het testament van 30 mei 2016 bespreekt. Diezelfde middag passeert N in de woning van tante een akte waarbij tante haar erfgenamen volgens de wet tot haar enige erfgenamen benoemt en K wederom tot executeur benoemt.
Het testament bevat de volgende considerans:
‘In overweging nemende dat de comparante enige dagen geleden een testament heeft gemaakt doch dat zij zich daarbij niet heeft gerealiseerd dat haar neven en nichten niet gelijkelijk delen in haar gehele nalatenschap en dat zij het, blijkens onderhoud van vandaag met ondergetekende notaris gehad, wenselijk acht dat dat wel het geval zal zijn (in haar eigen woorden: iedereen moet meedelen in alles voor hetzelfde deel)(enz).’
In augustus 2016 oordeelt de huisarts dat tante lijdt aan de ziekte van Alzheimer, dementie met weinig ziektebesef en weinig ziekte-inzicht. In september 2016 deelt een klinisch geriater mee dat hij tante in januari 2015 heeft gezien en toen dezelfde diagnose heeft vastgesteld. Tante overlijdt begin 2017.
De klacht
N heeft onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van tante bij de totstandkoming van de wijziging van haar testament op 9 juni 2016, dat op een cruciaal punt afwijkt van haar twee eerdere testamenten. N had het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid moeten hanteren en op zijn minst een huisartsverklaring moeten opvragen.
Het verweer
N stelt dat hij zich juist heeft verdiept in de persoon van testatrice en dat hij daarom op 9 juni 2016 tante heeft bezocht. Hij had op 30 mei 2016 een aarzeling bij tante waargenomen. N had geen reden om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van tante en K heeft op geen enkel moment te kennen gegeven dat tante leed aan alzheimer.
Het oordeel
N heeft onvoldoende zorgvuldig gehandeld bij het beoordelen van de wilsbekwaamheid van tante bij het bespreken en verlijden van het testament op 9 juni 2016. N heeft verklaard dat tante in de bespreking op 30 mei 2016 bij K bevestiging zocht voor antwoorden op vragen van N. Bovendien kenmerkt N tante als een nederige, timide en teruggetrokken persoon. Voorts behelst het testament van 9 juni 2016 een ingrijpende wijziging van de beide eerdere testamenten. Al deze omstandigheden hadden voor N aanleiding moeten zijn meer tijd te nemen voor het toetsen van de wilsbekwaamheid van tante. N had een ontwerp van de akte moeten opmaken en tante de gelegenheid moeten geven van dat ontwerp kennis te nemen en na verloop van een paar dagen nogmaals met haar te spreken. In gevallen als deze kan het ook geraden zijn het testament te verlijden in aanwezigheid van getuigen. Het hof vindt het zorgelijk dat N, ondanks dat hij lering heeft willen trekken uit een maatregel die hem bij een eerdere klacht in een soortgelijke zaak is opgelegd (Hof Amsterdam 26 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS: 2016:3082), nu op deze wijze heeft gehandeld, waarbij het hof uitgaat van de goede wil van N. Het hof vindt het ook zorgelijk dat de verklaringen van N in zijn brief aan K niet consistent zijn met zijn verklaringen op de zitting.
Het Hof legt de maatregel berisping op.