Registerverklaring op basis van buitenlands strafrechtelijk vonnis vereist in ieder geval extra onderzoek

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Kamer voor het notariaat Den Bosch 16 april 2018

In april 2011 verkoopt en levert klager K (een vastgoedbedrijf) aan de naamloze vennootschap naar Belgisch recht A N.V. enkele percelen grond.
In maart 2012 maakt notaris Z, op verzoek van K, een registerverklaring op (en schrijft deze in bij de openbare registers) waarbij de overeenkomst van april 2011 is vernietigd, waardoor de eigendom van de percelen was teruggekeerd bij K. Volgens deze registerverklaring hadden alle betrokken partijen in de vernietiging berust.
Als vertegenwoordiger van A N.V. trad op de heer B. Bestuurder X van A N.V. krijgt kennis van deze actie en verzoekt een rechtbank te België om een zogenoemde sekwester te benoemen die zou hebben vastgesteld dat B nimmer rechtsgeldig bestuurder is geweest.
Er vindt in België een strafrechtelijk onderzoek plaats dat in 2016 resulteert in een vonnis waaruit volgt dat B in 2012 valsheid in geschrifte heeft gepleegd en gebruik heeft gemaakt van valse stukken, terwijl de handtekening van X was vervalst, door het opstellen van notulen van algemene vergaderingen en het laten inschrijven in het aandelenregister, terwijl hij zich ten onrechte de hoedanigheid van aandeelhouder had toegemeten. De rechtbank overweegt dat de notulen onjuiste vermeldingen bevatten, meer specifiek een veinzing die was opgesteld met het bedrieglijk opzet om aan K toe te laten dat hij zich kon onttrekken aan de uitvoering door A N.V. Volgens de Belgische rechtbank betroffen deze notulen, het aandelenregister alsmede de ontslagbenoeming van X als bestuurder valse stukken. De rechtbank bepaalt dat de valse stukken doorgehaald moeten worden. B gaat niet in beroep maar K wel.
Naar aanleiding van dit vonnis meldt zich medio mei 2017 bij notaris N onder andere bestuurder X met het verzoek om een registerverklaring op te maken en in te schrijven in de openbare registers, aangezien het vonnis een rechterlijke uitspraak behelst die de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid daarover te beschikken betreft. X legt daarbij een verklaring van de griffier van de Belgische rechtbank over dat tegen het vonnis geen rechtsmiddel is aangewend.
N maakt in juli 2017 een registerverklaring op, echter het Kadaster schrijft deze niet in omdat het vonnis moet worden ingeschreven en tevens de verklaring van de griffier dat er geen hoger beroep meer mogelijk is.
Nadat K bekend is met de registerverklaring vraagt hij N waarom hij niet bij K heeft geïnformeerd naar het door hem ingestelde hoger beroep. K wil ook van N weten wie zijn opdrachtgever is en waarom N de registerverklaring nog steeds niet heeft ingeschreven, terwijl deze akte wel in een onteigeningsprocedure is gebracht.
N vat het standpunt van de advocaat van K samen als dat A N.V. onrechtmatig handelt door inschrijving van het vonnis, en stelt dat: ‘uit recente rechtspraak blijkt dat – ook al mocht dit het geval zijn – ik desalniettemin zal kunnen en (en ingevolge mijn ministerieplicht) moeten meewerken aan de opdracht van A. Het neemt niet weg dat u mij via de voorzieningenrechter kunt dagvaarden om inschrijving van het vonnis te beletten.’

De klacht

Klager verwijt N onder meer dat:

  • hij ernstig is benadeeld door een stuk in omloop te brengen dat de schijn met zich draagt dat hij geen eigenaar van het pand is;
  • hij K moedwillig schade heeft toegebracht, onder andere door K te verleiden om een kortgedingprocedure op te starten om inschrijving van de registerverklaring te voorkomen;
  • hij in deze niet onpartijdig is geweest, maar willens en wetens K buiten de deur heeft gehouden.

Het oordeel

N heeft niet bestreden dat hij het te registreren stuk aan derden heeft verschaft voordat hij de bevestiging van registratie had ontvangen van het Kadaster. Daardoor heeft N het mogelijk gemaakt dat het stuk een andere rol zou gaan spelen dan dat het mocht spelen, namelijk in de onteigeningsprocedure.
N heeft onzorgvuldig gehandeld in zijn communicatie naar K. Eerst liet hij weten dat hij wél tot inschrijving zou overgaan en daarna weer dat hij niet daartoe zou overgaan. Voorts heeft N onvoldoende duidelijk gemaakt dat een ‘correcte ambtsuitoefening’ meebracht dat hij tot inschrijving zou overgaan en dat het hem daarom niet vrijstond om er niet toe over te gaan als hem dat niet door de rechter bevolen zou worden. Daarbij is niet gebleken dat N zich heeft afgevraagd of een vonnis waarin a) niet geoordeeld is over de vastlegging van de vernietiging van de koop/overdracht, dat b) afkomstig is van een strafrechter en c) bovendien uit een ander land, wel burgerlijk rechtelijke effect kan hebben in Nederland en voldoet aan de eis van artikel 3:17, 1, e, Burgerlijk Wetboek. Het had op de weg van N gelegen om nader onderzoek te verrichten.

De notariskamer legt de maatregel berisping op.

Opmerking

N heeft zich verslikt in een ingewikkelde zaak, waarbij de gewraakte registerverklaring van notaris Z in deze uitspraak buiten schot blijft. De kamer constateert ambtshalve diverse juridische tekortkomingen in de dienstverlening van N die niet door K waren aangevoerd.

Zie ook de andere uitspraak van Kamer voor het notariaat Den Bosch 16 april 2018