Twee akten met hetzelfde aktenummer: rechtszekerheid met voeten geschonden
X, destijds procuratiehouder van Duitse ondernemingen van klager K, geeft (inmiddels oud-)notaris N op 1 november 2014 opdracht om in verband met de detentie van K in Duitsland, een notariële depotakte op te maken. N moet tien beëdigde verklaringen aan de akte hechten en deze stukken toezenden aan de strafkamer van het betrokken gerecht in Duitsland en aan de Duitse advocaat van K. Volgens K waren deze verklaringen van cruciaal belang voor het bewijzen van zijn onschuld in de strafzaak die in Duitsland tegen hem liep. K is uiteindelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar.
N heeft volgens K twee notariële akten met hetzelfde aktenummer, maar met afwijkende inhoud (akte A en akte B) verleden en voorzien van de notarisstempel en handtekening.
Akte A bevatte, in tegenstelling tot akte B, onder meer de volgende passage: Voorts verklaarde de comparant dat hij: (…) ‘Uit de media heb ik echter vernomen dat de incasso’s welke geïnt zijn op de privérekening van K zijn bijgeschreven! Dit is, mijn inziens, een grove nalatigheid van de [naam bank] daar de incassomachtiging ten name staan van [naam].
(…) Het verbaasd mij daarom ten zeerste dat de [naam bank], welke in een reorganisatie zat aangenomen heeft dat het om oplichting/bedrog betrof.’
Volgens N is akte B de originele akte en akte A een (deel van de) concept-akte, die niet door hem is getekend.
K heeft voorts een ‘akte tot aandelenoverdracht’ de dato 17 december 2013 overgelegd, voorzien van de notarisstempel van N en een handtekening. N verklaart dat hij op die datum geen notariële werkzaamheden voor K heeft verricht.
N is op 14 november 2016 gedefungeerd.
Oordeel kamer
De kamer (ECLI:NL:TNORAMS:2017:17) heeft de klacht ongegrond verklaard, aangezien niet kan worden vastgesteld in hoeverre de akten A en/of B zijn opgemaakt door N, dan wel in hoeverre beide akten daadwerkelijk door N zijn verleden.
De klacht
N heeft twee verschillende akten onder één nummer opgemaakt en geen uitvoering gegeven aan de opdracht. De akte van 17 december 2013 is valselijk opgemaakt.
Het oordeel
Akten A en B hebben hetzelfde aktenummer en zijn beide voorzien van de notarisstempel van N en een handtekening. N had op dit punt duidelijkheid moeten verschaffen. Dat op 1 november 2014 slechts één notariële akte is ingeschreven in het CDR bewijst niet, zoals N heeft aangevoerd, dat van twee originele notariële akten geen sprake is geweest. N erkent dat hij opdracht had gekregen stukken aan de Duitse advocaat te sturen, maar dit niet kon uitvoeren aangezien hij niet over de benodigde contactgegevens beschikte. Nu niet kan worden vastgesteld dat N beschikte over de adresgegevens kan hem niet worden verweten de stukken niet te hebben doorgezonden.
Wat betreft de vervalste ‘akte tot aandelenoverdracht’ van 17 december 2013 kan niet worden vastgesteld dat deze vervalsing op enige wijze aan de (nalatigheid van) N kan worden toegerekend.
De notaris bekleedt in de maatschappij een plaats die mede is gegrond op vertrouwen in zijn ambt. Voor dat vertrouwen is onder meer voorwaarde dat de notaris zorg draagt voor en meewerkt aan het bewaken van de rechtszekerheid. N heeft deze op hem rustende kerntaak door het passeren van twee notariële akten met hetzelfde aktenummer en een bijna gelijke inhoud met voeten getreden. De handelwijze van N is zo ernstig dat de maatregel van schorsing voor de duur van drie maanden op zijn plaats is. Het feit dat N is gedefungeerd, is niet van belang.
Het hof legt de maatregel schorsing voor drie maanden op.
Opmerking
Nogal een verschil in beoordeling tussen kamer en hof. Het lijkt erop dat de kamer geen zicht meer had op wat feit of fictie (vervalsing) was en het voordeel van de twijfel, gezien ook de vervalste akte, naar de notaris heeft laten uitslaan.