Oud-notaris van inmiddels failliete praktijk moet waarnemer van protocol nog steeds zelf betalen
Aan oud-notaris N is met ingang van 1 januari 2011 eervol ontslag verleend. Het notarisambt van N wordt vanaf 1 januari 2011 waargenomen.
Op 27 september 2017 wordt notaris Y benoemd tot waarnemer, welke benoeming bij beslissing van 12 december 2018 (ECLI:NL:TNORARL:2018:57) verlengd is tot en met 31 december 2019. Het honorarium van Y wordt bepaald op 150 euro per uur, exclusief omzetbelasting, voor de notarieel jurist op 100 euro per uur, en voor de notarieel medewerker op 50 euro per uur.
In de klacht van N verschijnen als belanghebbenden op de zitting (met hun gemachtigden): Y, de KNB, het Voorzieningsfonds en de curator van de op 5 juli 2016 failliet verklaarde notarispraktijk.
De klacht
- Over geen van de beslissingen betreffende de waarneming van zijn ambt is N gehoord of opgeroepen. Door een honorarium voor de waarnemer vast te stellen, heeft de voorzitter ten onrechte het vermogen van N vatbaar gemaakt voor verhaal. Blijkens de beslissing van het hof van 17 mei 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:413, is het de bedoeling van de wettelijke regeling inzake het honorarium bij waarneming dat de waarnemer wordt betaald uit de praktijk die door de waarneming wordt voortgezet.
- N verzoekt het hof om de onderwaarneming, die tot 22 augustus 2016 heeft bestaan, te herstellen. Subsidiair verzoekt N te bepalen dat de kosten van de waarneming van zijn protocol ten laste worden gebracht van het Voorzieningsfonds, dan wel de failliete boedel, dan wel de eerste waarnemer. N mocht verwachten dat zijn definitieve vervanging na 7 jaar, uiterlijk op 31 december 2018, zou zijn geregeld. Het is in strijd met het beginsel van proportionaliteit om N nog persoonlijk te belasten met de kosten van de waarneming van een protocol waarop hij al meer dan zes jaar geen enkele invloed heeft uitgeoefend of heeft mogen uitoefenen.
Het verweer
De KNB en het Voorzieningsfonds zijn geen partij bij de beslissing waarvan beroep wordt ingesteld, zodat N niet-ontvankelijk is in hoger beroep.
N heeft destijds zelf geïnitieerd dat hij rechthebbende bleef van het protocol.
N had als verdienmodel het oprichten en verkopen van notariskantoren met de benoeming van de verkrijger als waarnemer. Zolang het protocol niet aan een andere notaris is toegewezen, blijft N daarvoor verantwoordelijk. Vooralsnog is geen notaris bereid om het protocol toegewezen te krijgen in verband met de hoge verzekeringspremie. Het gaat om het honorarium van de waarneming van het protocol en niet om een ondernemingsbeloning voor het voortzetten van de onderneming. Het protocol wordt toegewezen aan een natuurlijke persoon (een notaris), die in persoon aansprakelijk is voor de kosten van de waarneming.
Voor het verzoek om de kosten van de waarneming ten laste te laten komen van het Voorzieningsfonds of de failliete boedel ontbreekt iedere grond. Het protocol valt buiten het faillissement.
Het oordeel
N stelt de beslissingen van de voorzitter van 19 en 22 augustus 2016 opnieuw ter discussie. Eerder heeft het hof geoordeeld dat N niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen die voorzittersbeslissingen wegens overschrijding van de appeltermijn. N zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor beroepsgrond 1.
Bij waarneming in geval van ontslag wordt de notarispraktijk voor rekening en risico van de vervangen notaris voortgezet, indien in het benoemingsbesluit het honorarium voor de waarnemer is vastgesteld. Een notaris die ontslagen is, kan geen invloed meer uitoefenen op de praktijkuitoefening.
Reeds daarom is het wenselijk dat de termijn van voortzetting kort gehouden wordt, naar het oordeel van het hof maximaal een jaar. Van N kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij de minister verzoekt om een notaris aan te wijzen om het protocol over te nemen. De curator heeft wel stappen in die richting gezet, maar niet is gebleken dat N dat ook zelf heeft gedaan. Dit brengt mee dat beroepsgrond 2. ongegrond is. Het voorgaande laat onverlet dat ook van de KNB verwacht mag worden dat deze de minister verzoekt om een notaris aan te wijzen om het protocol over te nemen. Het voorgaande laat tevens onverlet dat de voorzitter die overweegt om een regeling omtrent het honorarium te treffen de vervangen notaris dient te horen, althans deugdelijk dient op te roepen.
Het Hof verklaart N niet-ontvankelijk c.q. de klacht ongegrond.
Opmerking
De vraag is of de minister überhaupt in redelijkheid kan besluiten een notaris te belasten met dit protocol.