Schrappen van een toedelingsbeding vereist onomwonden Belehrung
Erflater E en zijn partner klaagster K hebben beiden kinderen uit een eerder huwelijk. Hun samenlevingscontract en testamenten uit 2003 bevatten een toedelingsbeding van de gezamenlijke woning tegen inbreng van de waarde ten behoeve van de eigen kinderen. In juni 2017 heeft notaris N een gesprek met E en K. E heeft naar verwachting nog maar kort te leven. Uit de bespreking volgt dat er een aanvulling komt op het samenlevingscontract, waarbij onder meer het toedelingsbeding vervalt, en een nieuw testament voor E met een uitgebreider vruchtgebruikregeling en een keuzelegaat tegen inbreng voor K. Deze inbreng is in beginsel pas opeisbaar bij het overlijden van K.
N mailt in juli de concept-akten, waarbij zij onder meer toelicht:
‘Het toedelingsbeding wordt ontbonden. Dit betreft een wederkerige afspraak, die jullie liever geheel in het testament willen regelen.’
E bericht N (en K) dat K wellicht nog zelf contact met N opneemt over vragen en opmerkingen die bij haar leefden, waar hij geen bezwaar tegen heeft. K heeft N niet voor een dergelijk gesprek benaderd. Eind juli passeert N de akten.
Half september heeft op verzoek van E een bespreking met N plaats, omdat E zijn testament wil wijzigen vanwege ernstige relatieproblemen. N concludeert dat zijn wens een weloverwogen beslissing is. Om er zeker van te zijn dat de wens om zijn testament te wijzigen niet werd veroorzaakt door zijn ziekte, is op de dag van passeren nog een onafhankelijk arts geraadpleegd. Vervolgens bespreekt en passeert een colleganotaris half oktober het gewijzigde testament, waarbij E het keuzelegaat herroept en aan K de rechten van gebruik en bewoning van zijn aandeel in de woning aan K legateert, eindigende in ieder geval drie jaar na zijn overlijden. E overlijdt een maand later.
De klacht
N heeft K onvoldoende voorgelicht over de samenhang tussen de ontbinding van het toedelingsbeding in het samenlevingscontract en het testament van E.
N had het laatste testament niet mogen passeren omdat hiermee de bescherming van de langstlevende werd ontnomen, die eerder op advies van N uit het samenlevingscontract was gehaald.
De kamer Arnhem-Leeuwarden verklaart de klacht van K op 19 februari 2019 ongegrond (ECLI:NL:TNORARL:2019:9).
Het verweer
K was goed doordrongen van de consequenties van de verschillende akten. Voor het verwijderen van het toedelingsbeding bestond wel degelijk een reden. De levensverzekering in verband waarmee het beding was opgenomen, was inmiddels beëindigd.
Wat het testament betreft, was de wil van partijen gericht op een vruchtgebruikregeling. Het toedelingsbeding was ook niet meer in overeenstemming met de opeisbaarheidsgronden in het nieuwe testament van E. Ook als N het toedelingsbeding na afstemming op het nieuwe testament had opgenomen in het samenlevingscontract had E het samenlevingscontract eenzijdig kunnen ontbinden of de niet-opeisbaarheidsclausule in het testament kunnen herroepen.
Het oordeel
Met de kamer is het hof van oordeel dat in het licht van de gegeven omstandigheden, het voorstel van N het toebedelingsbeding in het samenlevingscontract te schrappen, niet onzorgvuldig is.
N heeft echter de gevolgen van het ontbinden van het toedelingsbeding onvoldoende onder de aandacht van K gebracht en heeft zich er onvoldoende van vergewist dat K de gevolgen daarvan overzag. Uit het feit dat K niet is ingegaan op het aanbod van N tot nadere toelichting mocht N niet opmaken dat K voldoende inzicht had in (de gevolgen van) de ontbinding van het toedelingsbeding. N heeft wel voldoende getoetst of de laatste wijziging van het testament geheel overeenkomstig de wens van E was en of hij voldoende in staat was om zijn wil te bepalen.
Het Hof legt de maatregel berisping op
Opmerking
De opmerking van N dat het toedelingsbeding een wederkerig beding is, is een juridische kwalificatie die bij een niet-jurist geen alarmbel zal af doen gaan. Ook juridisch klopt de toelichting niet. Dergelijke ingewikkelde materie met vergaande gevolgen voor cliënten vereist een uitleg waarin ‘man en paard’ niet geschuwd worden, ook in een delicate en onvoorziene situatie als onderhavige. Dat is nu juist de toegevoegde waarde van ons vak.