Termijnen voor derdenverklaring en uitvoering beslag zijn dwingend en niet vatbaar voor afweging
Bij vonnis van de rechtbank is B (broer van klagers K1 en K2), in het kader van de afwikkeling van de vennootschap onder firma die tussen de broers bestond, veroordeeld om aan klager K1 een bedrag van 97.566 euro te betalen en aan klager K2 een bedrag van 219.964 euro. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
B heeft in verband met deze veroordeling op 29 maart 2017 bedragen tot in totaal 388.755,32 euro gestort of laten storten op de derdengeldrekening van (thans oud-)- notaris N.
De broers zijn ook veroordeeld om aan elkaar aandelen in gemeenschappelijke goederen te leveren, op straffe van een dwangsom.
Klagers leggen op grond van het vonnis van 1 maart 2017 onder N executoriaal derdenbeslag op alle gelden die N onder zich heeft ten behoeve van B.
Op 11 en 19 januari 2018 doet N aan de deurwaarder een verklaring derdenbeslag van de door het beslag getroffen vordering, namelijk dat hij aan B een bedrag van 388.755,32 euro verschuldigd is.
Op 22 januari verzoekt de deurwaarder N het bedrag van 388.755,32 euro aan hem af te dragen, maar N voldoet hier niet aan. Op 5 maart herziet N zijn eerder afgelegde derdenverklaring en bericht de deurwaarder dat hij op de derdengeldrekening een bedrag van 388.755,32 euro houdt, waarvan een gedeelte groot 230.000 euro is betaald door geldschieters en dat hij een bedrag van 158.755,32 euro houdt voor B.
Klagers dagen N in kort geding om hem te laten veroordelen een bedrag van 388.755,32 euro aan de deurwaarder te voldoen, hetgeen de voorzieningenrechter beveelt. N maakt het bedrag over. Ook is N veroordeeld in de proceskosten.
Op 25 juni heeft N aan K een conceptafrekening toegezonden, waarbij N aan K in rekening brengt twee derde deel zowel van zijn kosten van het kort geding (2.630,67 euro) als van de proceskosten waarin hij is veroordeeld bij het vonnis (890,67 euro). Volgens de afrekening kwam het honorarium voor werkzaamheden van N voor de akte van verdeling (27 uren) voor twee derde deel voor rekening van K.
Bij e-mail van 26 juni wordt namens K aan N verzocht om een specificatie van de conceptfactuur. N reageert dat hij uitleg kan geven over de nota op 27 juni, wanneer de akte van verdeling zal passeren.
K1 en 2 accepteren niet dat zij vooraf geen specificatie krijgen en dat N werkzaamheden in rekening brengt die te maken hebben met het gevoerde kort geding. Hun advocaten adviseren om de akte niet te komen tekenen.
De klacht
N had op het juiste tijdstip verklaring moeten doen van hetgeen hij van B onder zich heeft en hij had terstond moeten voldoen aan het verzoek van de deurwaarder om de bedragen die hij volgens zijn verklaring onder zich heeft, aan de deurwaarder af te dragen. De wet biedt geen ruimte aan N voor een eigen afweging hieromtrent of om deze verplichtingen te negeren wegens bezwaren van B.
Het verweer
N stelt dat hij de belangen van alle broers (en van de geldschieters) voldoende in acht heeft genomen. De rechtbank heeft niet zelf de verdeling bewerkstelligd of het vonnis in de plaats doen stellen van de verklaringen benodigd door degene die weigerachtig zal blijken aan de verdeling mee te werken, maar juist het notariaat heeft aangewezen om de akte op te stellen en te verlijden. Als gevolg van het door B ingeroepen opschortingsrecht, als dat van kracht is, heeft N niet de bevoegdheid de gelden op grond van het executoriaal beslag over te boeken. Van de gestorte gelden was 230.000 euro gestort door geldschieters, zodat niet duidelijk was voor wie N dit bedrag hield. Het is niet ongebruikelijk dat in een kort geding duidelijkheid wordt verkregen hoe de notaris zijn taak heeft in te vullen.
Het oordeel
N had, zodra vier weken waren verstreken na het leggen van het beslag, verklaring moeten doen als bedoeld in artikel 476a Rechtsvordering (Rv). N heeft ruim een maand later de bedoelde verklaring gedaan. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Gelet op het bepaalde in artikel 477 Rv had N terstond moeten voldoen aan het verzoek van de deurwaarder om de bedragen die hij onder zich heeft aan de deurwaarder af te dragen. N heeft de door het beslag getroffen gelden pas na de veroordeling daartoe in kort geding afgedragen. Ook dit klachtonderdeel is gegrond.
N is veroordeeld in de proceskosten van het kort geding. Onder die omstandigheden stond het N niet vrij om (te proberen) kosten voor het kort geding bij K in rekening te brengen.
De notariskamer legt de maatregel berisping op.
Opmerking
Notarissen zijn van nature vaak geneigd om een bemiddelende en oplossingsgerichte rol aan te nemen, maar waar het procesrecht de zaak domineert, is daarvoor geen plaats.