Een testament voor een verstandelijk gehandicapte: het gebeurt nog steeds
Testatrice T woont in een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Kandidaat-notaris KN (waarnemer van N, die zware waarnemer van de geschorste notaris was) passeert eind december 2013 een testament van T, waarbij T een goeddoelinstelling tot enig erfgenaam en het notariskantoor tot executeur benoemt. Eind 2017 krijgt de broer van T, klager K, kennis van het testament. Klager K is sinds 1983 de vertegenwoordiger van T binnen de zorginstelling.
In de medische verklaring van de VIA-arts van 2018 staat onder meer over T dat zij al haar gehele leven verstandelijk gehandicapt is, verstandelijk functioneert op ongeveer het niveau van een vier- à zesjarige, niet kan lezen en schrijven en objectief medisch gezien al vele jaren niet wilsbekwaam is om zelfstandig haar zakelijke en persoonlijke belangen te behartigen.
De klacht
KN heeft in de gegeven omstandigheden onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van T bij de totstandkoming van haar testament. KN heeft niet gereageerd op de vragen van K, onder andere waarom hij geen verklaring van wils(on)bekwaamheid heeft aangevraagd.
Het verweer
De afspraak met het notariskantoor was gemaakt door de zorginstelling. KN heeft het ‘Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid’ doorlopen en met T in haar eigen woonomgeving in een aparte ruimte een gesprek gevoerd over haar wensen, onder vier ogen.
Het oordeel
KN heeft weliswaar gesproken met T in haar eigen omgeving en buiten aanwezigheid van derden, maar de afspraak was gemaakt door de zorginstelling waar zij sinds het overlijden van haar moeder verbleef. T was al haar hele leven verstandelijk gehandicapt en zij had haar administratie niet in eigen beheer. Dat hadden voor KN zeer sterke indicatoren moeten zijn over de mogelijke wilsonbekwaamheid.
T wenste haar geld na te laten aan een goeddoelinstelling. Omdat onduidelijk was hoe ze die instelling kende, noopte ook dat tot extra voorzichtigheid. Vragen over tijd, plaats, eigen identiteit, familiebanden of andere feitelijkheden zijn niet afdoende om vast te kunnen stellen of een testateur of testatrice in staat is de strekking en gevolgen van zijn of haar wensen te overzien. Dat een testateur kan vertellen wat hij wil en dat kan herhalen, onderscheidt hem niet van een vier- of zesjarige.
Onder deze concrete omstandigheden had KN ten minste gerede twijfel over de wilsbekwaamheid van T behoren te hebben. Hij had volgens het Stappenplan zijn ministerie moeten weigeren, waarbij hij de mogelijkheid had zijn bevindingen te laten verifiëren door een algemeen psychiatrisch/geriatrisch onderzoek, uitgevoerd door een niet-behandelend arts. Hij heeft evenmin gebruikgemaakt van het oordeel van een collega of de waarnemingen van getuigen.
De notariskamer legt de maatregel schorsing als waarnemer voor twee maanden op.
Opmerking
Hopelijk gebeurt dit niet veel meer, maar toch, kan het notariaat nog iets bedenken om dit soort gevallen uit te bannen?