Je ziet het pas als je het door hebt: notaris meldt na onderzoek BFT alsnog 31 transacties bij FIU
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) onderzoekt tussen februari 2018 en februari 2019 diverse dossiers bij notaris N, naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst. Dit resulteert in een onderzoeksrapportage van maart 2019.
De globale risico-screening leidde ertoe dat N afscheid heeft genomen van een aantal tussenpersonen/aanbrengers en 31 dossiers alsnog als ongebruikelijke transactie bij de Financial Intelligence Unit (FIU) heeft aangemeld.
De vier nader onderzochte dossiers betreffen de oprichting van vier besloten vennootschappen voor de exploitatie van automobielbedrijven. Oprichters zijn vier personen met de Griekse nationaliteit, woonachtig in Duitsland. Drie van de oprichters hebben dezelfde achternaam.
De vier oprichtingsdossiers zijn in een periode van twee en een halve week aangebracht door dezelfde belastingadviseur en worden in de correspondentie gedeeltelijk gezamenlijk behandeld.
Binnen vier maanden na oprichting zijn de ondernemingen uitgeschreven uit het handelsregister, omdat de activiteiten zijn gestaakt.
De klacht
N heeft gehandeld in strijd met de voorschriften van de Wet op het notarisambt (Wna) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), waarbij geconstateerd is dat hij:
- via een tweetal websites mogelijk risicovolle cliënten werft dan wel heeft geworven (één van deze twee websites is inmiddels offline);
- de opdracht voor de oprichtingsakten van de belastingadviseur heeft gekregen;
- de oprichtingsakten heeft gepasseerd op basis van volmachten;
- de volmachten voor de akten niet zelf door de oprichters in persoon heeft laten ondertekenen, maar deze zonder officiële legalisatie heeft ontvangen van de belastingadviseur;
- weliswaar twee telefoonnummers van de oprichters heeft genoteerd, maar van rechtstreeks telefonisch of persoonlijk contact niets blijkt uit het dossier;
- geen vragen heeft gesteld naar de achtergrond en de beweegreden van de oprichters of daar in ieder geval geen aantekening van heeft gemaakt;
- de conceptakten van oprichting met alle bijbehorende stukken in alle vier de dossiers binnen een à twee werkdagen aan de belastingadviseur heeft toegezonden.
Het verweer
N betwist dat hij geen (verscherpt) cliëntenonderzoek zou hebben gedaan en dat de feiten en omstandigheden voor hem destijds reden hadden moeten zijn nader onderzoek te doen of zijn dienstverlening op te schorten of te weigeren.
N had destijds geen aanleiding om te vermoeden dat geen sprake was van op zichzelf staande bedrijfsoprichtingen door EU-burgers woonachtig in Duitsland. Bovendien werden de oprichters geadviseerd door een bij hem wel bekende belastingadviseur, die zelf Wwft-plichtig was.
De oprichters zijn geïdentificeerd door een Duitse notaris die eveneens gebonden is aan anti-witwasrichtlijnen.
Met behulp van het VIS heeft N de paspoorten van de oprichters dubbel geverifieerd. Verder heeft N het Centraal Curatele en bewindregister en het Centraal Insolventieregister tweemaal geraadpleegd. Daarnaast heeft N aanvullend internetonderzoek gedaan naar de oprichters en de opgegeven bedrijfslocaties gecontroleerd.
Het oordeel
De zaken zijn zodanig kort opeenvolgend (in twee en een halve week) aangebracht dat het verband en/of de gelijkenis van de dossiers ook bij normale alertheid had behoren op te vallen. Dit geldt temeer nu N actief werft in de internationale oprichtingspraktijk en daarbij ook met tussenpersonen werkt. De dossiers waar het hier om gaat, zijn bovendien telkens door dezelfde tussenpersoon aangebracht en de achternamen van de desbetreffende cliënten kwamen in drie van de vier gevallen overeen. De zaken zijn bovendien gedeeltelijk gezamenlijk betrokken in de correspondentie met deze cliënten.
N had er daarom niet van uit mogen gaan dat er sprake was van op zichzelf staande bedrijfsoprichtingen. En zelfs al zou dit het geval geweest zijn, dan nog ontslaat dit N niet van zijn eigen verantwoordelijkheid voor wat betreft (verscherpt) cliëntonderzoek. De omstandigheid dat er mogelijk een Wwft-plichtige in de keten voor N is, ontheft hem niet van een zelfstandige onderzoeksplicht. Overigens had N reeds de verplichting tot verscherpt cliëntonderzoek vanwege het feit dat de cliënten niet in persoon bij hem verschenen.
N zou meer kritische vragen aan zijn cliënten hebben kunnen en moeten stellen, zowel wat betreft hun identiteit, als wat betreft de doelstelling van de op te richten ondernemingen. N had bovendien zijn bevindingen en afwegingen op dat punt, bijvoorbeeld ook naar aanleiding van collegiaal advies, in het dossier behoren vast te leggen. N heeft zich teveel opgesteld als verlengstuk van cliëntwensen en onvoldoende actief invulling gegeven aan de taak die hij uit hoofde van zijn ambt dient te vervullen en die er in dit soort zaken in bestaat zo nodig ook daadwerkelijk als poortwachter op te treden.
De notariskamer legt de maatregel berisping met een boete van 10.000 euro op.