Beoordeling wilsbekwaamheid vooraf en achteraf: notaris twijfelt aan nietigverklaring testament
Klaagster K is bij testament van erflater E van eind 2014 tot (mede-)erfgename benoemd. Vervolgens passeert notaris N in 2015 een testament voor E waarin K niet meer wordt genoemd. In de loop van 2015 (voor het tekenen van het testament) wordt door een arts geconstateerd dat E niet meer in staat is zijn financiële en persoonlijke zaken en belangen geheel zelfstandig en naar behoren te behartigen. Deze arts is ingeschakeld door een kandidaat-notaris van een ander notariskantoor.
Eind 2015 (na het tekenen van het testament) wordt E door een psychiater onderzocht. Die concludeert dat bij E sprake is van wilsonbekwaamheid en dat deze wilsonbekwaamheid ook aanwezig was op het moment van het tekenen van het testament.
Bij vonnis heeft de rechtbank het testament uit 2015 nietig verklaard. De rechtbank geeft aan dat het mogelijk is dat de N niet beschikte over alle informatie. Op grond van de indicatoren van het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid (Stappenplan) was er echter reden voor twijfel over de wilsbekwaamheid van E. N had niet zonder nader onderzoek het testament mogen passeren.
De klacht
K verwijt N dat er geen acht is geslagen op de volgende indicatoren uit het Stappenplan:
- het vermogen was onder bewind gesteld;
- hoge leeftijd;
- het niet zelf doen van de administratie;
- verblijf in verzorgingshuis
- een medische indicatie met invloed op het geestelijk vermogen; en
- twijfel aan de weloverwogenheid van het door E gedane verzoek.
Het is onwaarschijnlijk dat E op eigen initiatief contact met N heeft opgenomen en hem in alle vrijheid instructies over de op te stellen akte heeft verstrekt.
Het verweer
N vindt dat hij de wil van E in redelijkheid heeft vastgesteld door het stellen van toetsvragen en het op meerdere momenten vaststellen van deze wil. E had aangegeven spijt te hebben van het benoemen van K als erfgenaam omdat hij haar een bemoeial vond.
E wilde niet terug naar de andere notaris omdat die hem steeds van alles vroeg en hem weggestuurd had. E heeft aangegeven dat zijn vermogen door iemand werd beheerd, maar de notaris heeft hiervan geen vermelding in het Centraal Curatele- en bewindregister gevonden.
De notaris heeft contact gezocht met de andere notaris en gevraagd of hij dacht dat E wilsbekwaam was.
N was niet op de hoogte van de medische rapporten.
N geeft aan zijn twijfels te hebben over het nietig verklaren van het testament.
Het oordeel
Het antwoord op de vraag aan de andere notaris (of E wilsbekwaam was) heeft de notaris niet aan de kamer gegeven. N weet niet waarom hij zelf geen arts heeft ingeschakeld.
De kamer is van oordeel dat N in deze omstandigheden gerede twijfel over de wilsbekwaamheid van E had behoren te hebben. Hij had zich bij zijn besluitvorming ten minste moeten laten bijstaan door twee medewerkers van zijn kantoor en hen als getuigen moeten laten optreden bij het (eventueel) passeren van het testament.
Het vragen van een medische beoordeling had ook voor de hand gelegen.
De notariskamer legt de maatregel berisping op.
Opmerking
N lijkt niet in te zien dat hij onjuist heeft gehandeld, waardoor de maatregel van berisping wordt opgelegd. N trekt zelfs het oordeel van rechtbank over de nietigverklaring van het testament in twijfel. De vraag die niet aan de orde komt, is hoe het testament van eind 2014 tot stand is gekomen.