Kandidaat-notaris: wees kritisch met waarnemen! (Deels) gegrond met oplegging van een maatregel.
(Thans) oud-notaris ON richt in februari 2014 voor mevrouw A een stichting op. In augustus 2014 wordt ON medebestuurder. In oktober 2014 brengt de stichting een offerte uit aan de BV X, gevestigd in het buitenland, voor de financiering van een voorgenomen investering.
De stichting (of een dochtervennootschap) zou een geldlening van 7.500.000 euro verstrekken, onder de voorwaarde dat uiterlijk 15 oktober 2014 een eigen inleg van 1.150.000 euro is bijgeschreven op de derdengeldenrekening van het notariskantoor.
De eigen inleg wordt voldaan door twee investeerders, de klagers K in twee afzonderlijke (gelijke) klachtzaken in hoger beroep.
De contractpartijen staan onder toezicht van ON. ON garandeert in een brief aan de bv van klager K dat de betreffende inlegbedragen zullen worden terugbetaald, of de lening nu wel of niet doorgaat.
Aan de offerte was een afschrift toegevoegd van de algemene voorwaarden van een bank (de Bank), gevestigd in het buitenland, die een administratieve zetel heeft op het kantooradres van de notarissen.
De Bank bevestigt voorschotten op de lening te zullen uitbetalen na ontvangst van de eigen inleg. De vereiste eigen inleg is voldaan door klagers K.
De geldlening is op 27 oktober 2014 in een akte vastgelegd door kandidaat-notaris KN als waarnemer van ON. De stichting werd bij die akte vertegenwoordigd door ON, die daarbij mede handelde als gevolmachtigde van een medebestuurder. Tevens passeert KN een akte van depot betreffende meerdere relevante stukken. Vervolgens bleek dat de Bank niet bestond en de financiering dus niet kon doorgaan.
ON is per 1 februari 2016 gedefungeerd. ON kreeg bij uitspraak op 10 oktober 2018 van de kamer Arnhem-Leeuwarden in deze zaak (met een andere klager) een schorsing voor zes weken opgelegd. N kreeg in dezelfde zaak een waarschuwing van het Hof Amsterdam (3 maart 2020) voor het meewerken aan een transactie waarbij cheques in ongebruikelijke valuta zouden worden geïnd ten behoeve van een notaris in privé. N had nader onderzoek moeten doen en in ieder geval nadere vragen moeten stellen aan ON.
De kamer oordeelde dat KN niet onzorgvuldig heeft gehandeld door geen onderzoek naar de Bank te verrichten. (ECLI:NL:TNORARL:2018: 33 t/m 37)
De klacht
De klacht in hoger beroep richt zich tegen notaris N en KN (‘de notarissen’) en niet meer tegen ON. De notarissen hebben onzorgvuldig gehandeld doordat:
- zij akten hebben gepasseerd, waarin wordt verwezen naar de Bank die feitelijk niet bestaat;
- de volmachten niet op een juiste wijze tot stand zijn gekomen;
- zij een situatie hebben gecreëerd waardoor K als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek is betrokken, terwijl de notarissen wisten dat de financiering nimmer zou kunnen slagen of wisten dat de Bank niet gevestigd was op het kantooradres van de notarissen.
Het verweer
N heeft geen akten gepasseerd en was niet betrokken bij de zaak.
KN voert aan dat de Bank geen partij was bij de akten, zodat geen onderzoek naar de Bank heeft plaatsgevonden en hoefde plaats te vinden. De akten zijn voorbereid door ON. Alvorens de akten te passeren, heeft zij weliswaar geconstateerd dat de benodigde volmachten en de bijlagen aanwezig waren, maar deze constatering betekent niet dat de bijlagen nadrukkelijk door haar zijn besproken of dat het bestaan van de Bank door haar zou zijn bevestigd.
Het oordeel
Klacht tegen N:
De enige betrokkenheid van N is dat de akten tot zijn protocol behoren en dat zijn ambtszegel is gebruikt. Dat is onvoldoende om hem enig tuchtrechtelijk verwijt te maken. De klacht tegen N is derhalve ongegrond.
Klacht tegen KN:
In de akte van geldlening wordt de Bank niet vermeld, maar op (ten minste) één van de stukken die KN volgens de depotakte in bewaring heeft genomen, is het adres van het notariskantoor als ‘administratieve zetel’ van de Bank vermeld. De notaris is gehouden tot kennisneming van hetgeen wordt aangeboden, maar hoeft daarnaar slechts in zeer beperkte mate onderzoek te doen. Daarom hoefde KN niet te onderzoeken waarom het kantooradres als administratieve zetel van de Bank werd gebruikt.
Het hof verstaat de klacht dat ‘deze volmachten niet op een juiste wijze tot stand zijn gekomen’ aldus, dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet juist zou zijn. KN heeft ook de volmacht van de medebestuurder aan ON verzorgd. Volgens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was de medebestuurder slechts één dag (gezamenlijk bevoegd) bestuurder van de stichting. Anders dan in de door KN gepasseerde akte van geldlening staat vermeld, was de medebestuurder op dat moment geen bestuurder van de stichting meer en was ON op dat moment de enige bestuurder van de stichting.
Bovendien bepalen de statuten dat het bestuur en bestuursleden niet bevoegd is/ zijn volmacht te verlenen om de stichting te vertegenwoordigen.
KN heeft dus de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet, althans onvoldoende gecontroleerd, waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet juist staat vermeld in de akte. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Dat K als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek is aangemerkt, kan de notarissen niet worden aangerekend. Het verwijt dat KN wist dat de financiering nimmer zou kunnen slagen, is niet geconcretiseerd. Het verwijt dat KN wist dat de administratieve zetel van de Bank niet op het kantooradres was gevestigd mist feitelijke grondslag.
Het Hof legt aan KN in beide zaken de maatregel waarschuwing op.
Opmerking
De (kandidaat-)notarissen hadden de kamer en het hof kunnen verzoeken om voeging van de zaken, om een dubbele kostenveroordeling te voorkomen.