Ne bis in idem-beginsel en nieuwe feiten

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Voorzitter Kamer voor het notariaat Amsterdam 9 april 2020

X bv is failliet verklaard. Klagers K hebben kort voor faillissement geïnvesteerd in X bv tegen levering (uitgifte) van aandelen. Het investeringsbedrag is gestort op een bankrekening met een overstand (boven het toegestane krediet), waarna de bank de overstand direct heeft ingetrokken en verder geen overstand heeft toegestaan. Notaris N1 is een van de certificaathouders van X bv, de certificaten van notaris N2 zijn voor het passeren van de akte van K overgenomen door N1. N1 en N2 zijn verbonden aan hetzelfde notariskantoor, N2 heeft de betreffende akte gepasseerd.
De kamer voor het notariaat Amsterdam (5 juni 2018, ECLI:NL:TNORAMS:2018:13) heeft N1 een berisping opgelegd en de klacht tegen notaris N2 ongegrond verklaard. N1 had volgens de kamer een expliciete mededelingsplicht ten aanzien van zijn certificaathouderschap. Hij had K de gelegenheid moeten bieden daar al dan niet consequenties aan te verbinden. De notaris moet in onafhankelijkheid zijn ambt uitoefenen en door transparant handelen waarborgen dat het vertrouwen in zijn onafhankelijkheid geen schade lijdt. Deze kernwaarde is geschonden. N2 heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld vanwege de overname van haar certificaten, de kamer ziet in het eerdere bezit van de certificaten geen belangenverstrengeling.

De klacht:

De klacht ziet onder andere op drie nieuwe feiten (nova):

  1. N1 heeft nagelaten K te wijzen op het risico dat het investeringsbedrag gebruikt zou worden voor de overstand en heeft op de betreffende rekening uitbetaald. N1 had de wederpartij V wel gewezen op dit risico en V de suggestie gedaan het bedrag op een andere bankrekening te laten storten.
  2. N1 en N2 zijn niet transparant geweest over hun relatie. Ze zijn al jarenlang elkaars levenspartner, waardoor er sprake is van (de schijn van) financiële belangenverstrengeling. N1 en N2 hebben gehandeld in strijd met artikel 19 lid 1 Wet op het notarisambt.
  3. N2 had een eigen belang door een achtergestelde lening bij X bv en heeft geen openheid van zaken gegeven over haar certificaten en/of lening.

Het verweer

N1 en N2 beroepen zich primair op het ne bis in idem-beginsel en subsidiair op ongegrondverklaring. Ten aanzien van de klacht onder 3. geeft N2 aan dat deze lening is overgedragen in rekening- courant aan N1.

Het oordeel

De huidige klacht ziet op het feit dat achteraf bij K bekend is geworden dat de notarissen niet alleen kantoorgenoten, maar ook elkaars levenspartners zijn en dat er nieuwe informatie is verkregen over het adviseurschap van N1 en zijn waarschuwing aan V over een mogelijke intrekking van de overstand. Dit geldt ook voor de klacht dat N2 een financieel belang had in X bv.
De voorzitter overweegt dat voor zover daar in de vorige procedure niet expliciet over is geklaagd, deze nieuwe feiten betrekking hebben op de stelling dat N2 niet had mogen meewerken aan de akte en de akte niet had mogen verlijden. Hierover is reeds een tuchtrechtelijk oordeel uitgesproken. De nieuwe klachten richten zich tegen hetzelfde feitencomplex, waardoor het ne bis in idem-beginsel toepasselijk is en K niet-ontvankelijk is.

De voorzitter wijst de klachten af als kennelijk niet-ontvankelijk.