Ne bis in idem-beginsel en verkapt hoger beroep

Leestijd: min

Opslaan

Deel deze informatie

Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch 3 juli 2020

In 1973 is de moeder M van klager K overleden. M was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met vader V. M had een ouderlijke boedelverdeling gemaakt (artikel 1167 Burgerlijk Wetboek (BW) oud) en in de nalatenschap bevond zich een woning. V huwde daarna met erflaatster E. V had het vruchtgebruik van zijn nalatenschap aan E gelegateerd en E en zijn kinderen tot erfgenamen benoemd. K is door het overlijden van V deels eigenaar van de woning.
In 1995 heeft de verdeling van de nalatenschap van V plaatsgevonden en is het vruchtgebruik afgegeven. In deze akte wordt de vordering van K vanwege het overlijden van M niet vermeld.
E overlijdt in 2015 en heeft vier erfgenamen.
De rechtbank heeft notaris N benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap. K heeft een aantal civiele procedures tegen de erfgenamen en N gevoerd onder andere om vast te stellen dat K een onderbedelingsvordering heeft op de nalatenschap in verband met het overlijden van M. De rechtbank heeft dit afgewezen.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Vervolgens heeft K een tuchtklacht ingediend tegen N (kamer voor het notariaat ’s Hertogenbosch, 20 januari 2020, ECLI:NL:TNORSHE:2020:1). De klacht was onder andere dat N de waardedaling door achterstallig onderhoud niet ten laste van de nalatenschap heeft gebracht. Deze klacht is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
K en N hebben in een van de civiele procedures over het achterstallig onderhoud een minnelijke schikking getroffen.
De woning is inmiddels verkocht en geleverd aan een derde.

De klacht

Kort gezegd komen de bezwaren erop neer dat K N verwijt dat hij in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap onzorgvuldig, partijdig, afhankelijk en misleidend heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden.
De klacht valt in de kern uiteen in twaalf onderdelen. Van deze onderdelen zullen 1., 2. en 12. worden behandeld. De andere onderdelen zijn ofwel ongegrond vanwege onder andere onvoldoende feitelijke onderbouwing en toelichting ofwel niet-ontvankelijk vanwege de driejaarstermijn.
De kamer plaatst wel kanttekeningen bij de gang van zaken bij een taxatie – in strijd met gemaakte afspraken had N niet meteen een NVMtaxateur meegenomen –, maar N heeft dat op diezelfde dag nog geregeld.
De volgende klachtonderdelen worden hier besproken:

  1. Ontkenning achterstallig onderhoud van de woning.
  2. Onduidelijkheid over de vraag of advocaat X vertegenwoordiger was van N en afscherming van N door X.
  3. N heeft K en de rechter misleid door artikel 128 Overgangswet nieuw BW onjuist te interpreteren. Hierdoor is van K (door de waardering) 500.000 euro gestolen respectievelijk verduisterd.

Het verweer

1. en 2. N beroept zich op het ne bis in idem-beginsel.

3. N betwist dat hij K en/of de rechter heeft misleid en/of de wet verkeerd heeft toegepast.

Het oordeel

1. en 2. De kamer stelt vast dat de beide klachtonderdelen in essentie dezelfde verwijten zijn en geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die niet al bij de eerste klacht naar voren hadden kunnen worden gebracht. Indien K eerder niet volledig is geweest in zijn klacht, heeft hij zijn recht verloren daarover nog een keer te klagen. Deze klachten zijn niet-ontvankelijk.

3. De juiste interpretatie van dit artikel was voorbehouden aan de civiele rechter, de kamer treedt niet in deze eerdere beoordeling. Een tuchtprocedure is niet bedoeld als hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

De kamer verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

Opmerking

Het ne bis in idem-beginsel is volgens vaste jurisprudentie onderdeel van de tuchtrechtspraak en in beide zaken is er met succes een beroep op gedaan. In de tweede uitspraak is geen sprake van nieuwe feiten, in de eerste wel. In de eerste zaak overweegt de voorzitter dat nieuwe feiten betrekking hebben op dezelfde stelling dat N niet had mogen meewerken aan de akte, daarmee vindt de voorzitter dat de nieuwe klacht zich richt tegen hetzelfde feitencomplex. Het lijkt alsof hier een nieuwe stap wordt gemaakt.

Lees de hele uitspraak