Onwaardigheid vereist toerekeningsvatbaarheid
Klager K was in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met erflaatster E, die overlijdt zonder testament. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat K zijn echtgenote E opzettelijk van het leven heeft beroofd, (...) opleverende doodslag. Het feit is strafbaar verklaard. De rechtbank acht K volledig ontoerekeningsvatbaar, zodat de doodslag hem wegens een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend. K is daarom in dit vonnis ontslagen van alle rechtsvervolging, onder oplegging van de maatregel van TBS. Het Hof heeft het strafvonnis bevestigd. Een hiertegen ingesteld cassatieberoep is vervolgens ingetrokken. Notaris N maakt op verzoek van de broer van E een verklaring van erfrecht op, waarin onder meer het volgende is vermeld:
‘(...)
ONWAARDIGHEID ECHTGENOOT
Op grond van artikel 4:3 Burgerlijk Wetboek is de echtgenoot van erflaatster derhalve van rechtswege onwaardig te erven.’
De klacht
N heeft een onjuiste verklaring van erfrecht opgemaakt.
Artikel 4:3 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is niet van toepassing omdat K is ontslagen van rechtsvervolging, waardoor geen sprake is van onwaardigheid van rechtswege.
Het verweer
N heeft zich wel degelijk gerealiseerd dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming was met de vereisten van artikel 4:3 BW, maar niettemin, na zorgvuldige afweging, gemeend de verklaring in de huidige vorm te kunnen afgeven. Doorslaggevend hierbij was een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 1 december 2009, NJ 2010, 206. Het Hof oordeelde daarin dat de erfgenaam onwaardig was, ondanks het feit dat hij niet strafrechtelijk veroordeeld was.
Het oordeel
K is niet strafrechtelijk veroordeeld, maar ontslagen van alle rechtsvervolging. Op grond van de wetstekst is dus geen sprake van onwaardigheid.
N mocht er niet van uitgaan dat sprake was van onwaardigheid, laat staan dit in een akte op te nemen waar derden op afgaan. In de door N genoemde EHRM-uitspraak kon geen strafrechtelijke vervolging van de dader plaatsvinden, omdat deze kort na zijn daad zichzelf van het leven had beroofd.
Voor N kon onmogelijk vaststaan dat sprake was van onwaardigheid. Of daarvan (uiteindelijk) toch sprake is, is niet aan de kamer om vast te stellen, maar aan de civiele rechter. N had de broer van E naar de burgerlijke rechter moeten verwijzen om een procedure tegen K te starten om vast te stellen of er sprake was van onwaardigheid. In ieder geval had N zich moeten onthouden van het afgeven van de verklaring van erfrecht.
De notariskamer legt de maatregel waarschuwing op.
Opmerking
De kamer vindt dat een evidente beroepsfout of een juridische misslag iedere notaris kan overkomen. Bijzonder is in dit geval dat de kamer twijfelt aan de geloofwaardigheid van het betoog van N, waardoor N een maatregel krijgt opgelegd.