Verricht geen werkzaamheden als boedelnotaris voor de inschrijving in het boedelregister
Klager K en erflater E hadden een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten zonder testamenten. E is overleden en notaris N is boedelnotaris in de afwikkeling van de nalatenschap. De kinderen van E zijn de enige erfgenamen. K en E waren samen eigenaar van een woning. De kamer voor het notariaat Den Haag (19 juni 2019, ECLI:NL:TNORDHA:2019:17) heeft alle klachten van K ongegrond verklaard.
De klacht
Het hoger beroep richt zich op een deel van de klachten:
- N heeft zich ten onrechte niet ingeschreven in het boedelregister en K heeft hierdoor schade geleden.
- N is te traag en niet onafhankelijk opgetreden.
- N is niet onpartijdig.
- N wil niet meewerken aan de uitvoering van het verblijvensbeding.
De stelling van N dat K op het moment van overlijden niet meer samenwoonde met E, is onjuist.
Het verweer
1. De hoedanigheid van boedelnotaris wordt niet verkregen door de inschrijving in het boedelregister, maar door de opdracht van de erfgenamen. K was vanaf aanvang van deze opdracht op de hoogte. Bovendien heeft K geen eigen belang bij deze klacht.
2. en 3. De vertraging is te wijten aan de opstelling van K, onder meer door het voeren van civiele procedures bij de rechtbank. N weigert niet een boedelbeschrijving op te maken, maar kan en mag dat niet op eigen initiatief doen. De partijdigheid herkent N niet.
4. In het inleidend klaagschrift is deze klacht niet geformuleerd, waardoor deze klacht niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.
Het oordeel
1. K heeft als schuldeiser van de nalatenschap belang bij het nakomen van de verplichting van N om zich als boedelnotaris in te schrijven. De strekking van de bepaling van artikel 4:197 lid 1 BW is dat het voor derden mogelijk moet zijn na te gaan wie de persoon van de erflater in het rechtsverkeer voortzet. N heeft zich in strijd met deze verplichting niet ingeschreven in het boedelregister. Dat de inschrijving geen constitutief vereiste is, doet aan de strijdigheid niet af. Het is niet relevant of er sprake is van schade en ook niet dat K op de hoogte was van de hoedanigheid van N. Dit klachtonderdeel is gegrond.
2. en 3. Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit traagheid, partijdigheid en niet-onafhankelijkheid blijkt. Dat een in de ogen van K wenselijke wijze van verdeling niet kon plaatsvinden, kan N niet worden aangerekend.
4. Het hof kan geen kennisnemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht en verklaart dit onderdeel niet-ontvankelijk.
Het Hof legt de maatregel waarschuwing op.